LET OP: automatisch geconverteerd naar HTML format, met bijbehorende conversiefouten. Zie voor juiste format het PDF bestand in de hoofdmap (www.achoron.com)

Bram Klievink - (c) 2006
Masterthesis Politicologie
Faculteit der Managementwetenschappen
Radboud Universiteit Nijmegen
Begeleiding: mw. prof. dr. Monique Leyenaar
§ 1.1 ROOD POTLOOD OF RODE KNOP?
§ 1.2 PROBLEEMFORMULERING
§ 1.3 AANPAK VAN HET ONDERZOEK
§ 1.4 DOELSTELLING EN RELEVANTIE
§ 2.1 EEN SYSTEEMBENADERING
§ 2.2 DE KLOOF TUSSEN BURGER EN POLITIEK
§ 2.3 DE OPKOMST VAN ICT EN HET E-SYSTEEMMODEL
§ 2.4 E-DEMOCRACY: ZEGEN OF VLOEK?
§ 2.4.1 E-DEMOCRACY ALS ZEGEN
§ 2.4.2 E-DEMOCRACY ALS VLOEK
§ 2.5 TOT SLOT, DE HYPOTHESEN
§ 3.1 KORTE INLEIDING TOT DE PRAKTIJK
§ 3.2 OPERATIONALISEREN EN AFBAKENEN
§ 3.3 DE OPKOMST VAN ELEKTRONISCH STEMMEN IN NEDERLAND
§ 3.4 ANDERE TOEPASSINGEN VAN ELEKTRONISCHE DEMOCRATIE
§ 4.3.1 RECONSTRUCTIE VAN HET NEDERLANDSE DEBAT OVER STEMMACHINES
§ 4.3.2 ANALYSE VAN DE RELATIE TUSSEN STEMMACHINES EN VERTROUWEN
§ 4.3.3 ANALYSE VAN HET DEBAT VANUIT DE HYPOTHESEN
§ 5.1 CONCLUDERENDE REFLECTIE OP HET DEBAT
§ 5.2 E-DEMOCRACY: ZEGEN OF VLOEK, BIJ WIJZE VAN ANTWOORD
§ 5.3 SLOT: ICT IN DE REPRESENTATIEVE DEMOCRATIE
APPENDIX A: METHODOLOGISCHE VERANTWOORDING
APPENDIX B: OVERZICHT ONDERZOEKSGEGEVENS
APPENDIX C: GEAUTORISEERDE STEMMACHINES
LITERATUUROPGAVE
OVERIGE ONDERZOEKSBRONNEN
"Many forms of Government have been tried,
and will be tried in this world of sin and woe.
No one pretends that democracy is perfect or all-wise.
Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government
except all those other forms that have been tried from time to time."
-Sir Winston Churchill, 1947
§ 1.1 Rood potlood of rode knop?
“Vraag in het geschiedenisproefwerk van 3-havo: Wat is het belangrijkste verschil tussen de klassieke Atheense democratie en de Westerse van nu? Antwoord: stemmen gaat tegenwoordig elektronisch.”1
Deze vraag en dit antwoord zijn te vinden in een boekje waarin grappige, foute antwoorden op geschiedenisvragen zijn gebundeld door een docent. Het grappige zit erin dat scholieren de raarste antwoorden geven op geschiedenisvragen. Dat is gelijk ook het trieste, schijnbaar hebben scholieren weinig kennis van de geschiedenis. Maar ondanks de vele, belangrijke verschillen die er tussen de klassieke Atheense democratie en de moderne Westerse democratie bestaan en hoe belangrijk die verschillen ook zijn, het antwoord ‘stemmen gaat tegenwoordig elektronisch’ is meer dan zomaar een grappig antwoord, het is de realiteit.
De wereld is in de 20e eeuw in rap tempo veranderd en zal dat in de 21e eeuw blijven doen. Veel van deze veranderingen zouden niet mogelijk zijn geweest zonder de razendsnelle ontwikkelingen op technologisch gebied. Informatie en Communicatie Technologie (ICT) speelt een steeds belangrijker rol in alle aspecten van het dagelijks leven. Met de veranderingen in de laatste decennia zijn ook de verwachtingen van burgers in westerse democratieën gegroeid. Burgers eisen goed bestuur en democratie is één van de waardevolle peilers van de samenleving geworden, een recht. Voor de verwezenlijking van dat recht wordt vooral de overheid verantwoordelijk gehouden. Burgers eisen van die overheid samenwerking, verantwoordelijkheid, efficiëntie, transparantie en effectiviteit. Al die eisen willen mensen terug zien in de manier waarop hun overheid te werk gaat. In de hedendaagse (westerse) samenleving spelen de media een steeds belangrijkere rol. In dit tijdperk van beelden en toegang tot alle mogelijke informatie kan het parlementair stelsel op steeds minder politiek enthousiasme en minder actieve participatie van burgers rekenen. Dit is een zorg voor politici en voor de democratie in het algemeen. In de zoektocht naar antwoorden op de groeiende kloof tussen burger en overheid zijn de ogen gericht op het toepassen van ICT binnen het politieke proces. Door middel van elektronische toepassingen zou de politiek zich kunnen aansluiten bij de nieuwe belevingswereld van de burger. Democratische processen in een high-tech jasje steken, kan de burger weer meer betrekken bij het politieke proces. Zo is althans de gedachte achter de introductie van elektronische vormen van
1 De Volkskrant, 25 september 2006, Binnenland, p3
democratie, zoals het elektronisch stemmen. Er zit dus meer achter de uitspraak ‘stemmen gaat tegenwoordig elektronisch’ dan de 3-havo leerling die dat antwoord gaf op dat moment kon vermoeden.
Ierland, 2002. Het had het jaar moeten zijn van de introductie van elektronisch stemmen in het Ierse verkiezingsproces. Papier en potlood zouden plaats maken voor stemmachines. Deze machines werden aangeschaft en klaargemaakt, maar zijn uiteindelijk nooit ingezet. De oorzaak ervan ligt in het onderzoek van de organisatie Zerflow waaruit bleek dat de betrouwbaarheid van het nieuwe systeem niet gegarandeerd kon worden, deze bevindingen werden in aanvullende onderzoeken bevestigd. Het resultaat was dat het systeem in de ijskast werd gezet (Zerflow, 2002). Het vertrouwen in het nieuwe elektronische stemmen bleek simpelweg te laag. Dat is opmerkelijk omdat in de Ierse senaat juist expliciet was uitgesproken dat verkiezingen het fundament zijn voor het vertrouwen van de burger in de overheid en dat elektronische stemmachines dit stemproces verbeterden. Vrijwel alle politieke partijen waren voor de invoer van elektronisch stemmen.2 Vanwaar dan dat gebrek aan vertrouwen dat leidde tot een afwijzing van dit nieuwe systeem? In de afsluiting van een van de debatten slaat een parlementslid van Fine Gael de spijker op zijn kop: “the people do not trust the Government”.3
Verenigde Staten, heden. De discussie over elektronisch stemmen woedt al jaren in de Verenigde Staten maar leidt de afgelopen jaren steeds meer tot verhitte debatten. Landen met sterke democratische tradities zijn vaak terughoudend met het implementeren van elektronisch stemmen (Rodrigues-Filho et.al.,2006). Vanaf het moment dat het elektronisch stemmen wordt bevorderd in de VS, neemt ook de weerstand hiertegen steeds grotere vormen aan. Het centrale punt van kritiek is de betrouwbaarheid van het stemproces. In 2006 werden (opnieuw) grote fouten in de Diebold stemmachines gevonden, zo groot dat met het omzetten van een knop de machine totaal anders ging werken dan de manier waarop ze getest en goedgekeurd was. Ook bleken sommige machines andere resultaten te geven dan een papieren controletelling (Election Science Institute, 2006). Dit is natuurlijk nieuwe brandstof voor de actiegroepen die ageren tegen het elektronische stemmen.4
In Nederland stimuleert de overheid het stemmen middels stemmachines al sinds 1994 en kan verreweg het grootste gedeelte van de kiesgerechtigden gebruik maken van het elektronische stemmen. Toen men de stemmachines in Ierland afwees, is echter ook de kritiek in Nederland op het elektronisch stemmen opgekomen. En inmiddels gaan ook in Nederland stemmen op die roepen om betere controleerbaarheid.5 De indruk dat stemmachines onbetrouwbaar zouden zijn, leidde in 2004 tot Kamervragen. In een uitgebreid antwoord op die Kamervragen antwoordde minister De Graaf dat de stemmachines die in Nederland worden gebruikt betrouwbaar zijn (Tweede Kamer, 2003/2004:1453). Maar de discussie was inmiddels ingezet. Deze discussie spitst zich vooral toe op het gebrek aan openheid over de gebruikte software en de controleerbaarheid van het stemproces. Onder andere Bart Jacobs, hoogleraar Software Security and Correctness aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zet “principiële kanttekeningen bij de betrouwbaarheid en veiligheid van stemmachines of stemPC's en bij
2 Archieven van het Ierse Parlement; Dáil Debata, vol.583, no.5 3 ibid., uitspraak door Mr. McCormack 4 Zie bijvoorbeeld: http://blackboxvoting.com/s9/ en http://www.verifiedvoting.org/ 5 Security of Systems Research, RU Nijmegen
het gebrek aan openheid over de gebruikte software”.6 Jacobs heeft zich inmiddels aangesloten bij de in 2006 opgerichte coalitie van bezorgde burgers ‘wijvertrouwenstemcomputersniet.’ Deze ‘coalitie’ ziet stemcomputers samenvattend als volgt: “stemcomputers zijn op zijn best een problematische nonoplossing van een non-probleem”.7 De groep wil graag terug naar het rode potlood en de rode knop verder onaangeroerd laten totdat er mogelijkheden beschikbaar komen tot betere controleerbaarheid. Jacobs zelf lijkt overigens geen principiële bezwaren te hebben tegen elektronische vormen van democratie in het algemeen, zo blijkt uit een uitspraak die hij enkele jaren geleden deed: “we bankieren per internet, we boeken onze vakantiereizen per internet. Waarom zouden we dan niet stemmen per internet?”.8
Hoe komt het dat in het verleden in Nederland zo weinig vraagtekens zijn gezet bij het implementeren van toepassingen van elektronische democratie (stemmachines) terwijl die vraagtekens elders wel werden besproken en in Ierland zelfs leidde tot het uitstellen van het nieuwe systeem. Hoe is het gebruik van technologie in de democratie gerelateerd aan het vertrouwen dat burgers in het functioneren van de democratie hebben en op welke manier werken schommelingen in vertrouwen door in de kansen voor elektronische vormen van democratie? Kortom: hoe hangt vertrouwen samen met de adoptie van elektronische vormen van democratie? Deze vraag staat centraal in deze masterthesis.
§ 1.2 Probleemformulering
In Nederland staat de toepassing van ICT in democratische processen inmiddels ter discussie. In een zoektocht naar de rol die ICT in de democratie speelt, komen twee tegengestelde visies naar voren. In beide visies speelt de vertrouwenskloof tussen burger en overheid een opvallende rol.
In Westerse democratieën is de “kloof” tussen burger en politiek in toenemende mate onderwerp van gesprek. Deze kloof duidt een gebrek aan vertrouwen van de burger in de overheid. De burger verandert onder invloed van ontwikkelingen zoals de individualisering, een betere en gemakkelijkere toegang tot informatie en een hoger opleidingsniveau. Deze veranderingen hebben echter plaats gevonden in een haast onveranderd politiek systeem. Politici zien als mogelijke oplossing voor dit dalend vertrouwen, elektronische vormen van democratie (Coleman et.al.,1999:4). Elektronische vormen van democratie (e-democracy) worden ingezet om het democratische proces te vergemakkelijken en daarmee de politiek toegankelijker te maken. Via e-democracy zouden burgers meer betrokken kunnen worden bij de politiek en democratische processen zouden sneller en eenvoudiger zijn. Aan e-democracy dus de taak de vertrouwenskloof te herstellen.
De lezing dat e-democracy een oplossing in de vertrouwensbreuk tussen burger en overheid kan bieden is niet onomstreden. Verschillende auteurs zien in de toepassing van ICT in het democratische proces juist een vergroting van de kloof (zie bijv. Mansbridge,1997:149) en deze visie is door actiegroepen ingezet in het publieke debat over elektronische vormen van democratie. ICT zorgt ervoor dat de burger meer gaat eisen van de overheid, zo luidt de inleiding van een wet om een experiment met
6 Burgerzaken & Recht 6, juni/juli 2004, 248-249 7 http://www.wijvertrouwenstemcomputersniet.nl/Vraag_en_Antwoord 8 NRC Handelsblad, 5 juni 2004, Wetenschap en onderwijs, p51
internetstemmen in Nederland mogelijk te maken (Tweede Kamer,28 664:3). Maar deze toenemende druk op de autoriteiten kan de overheid juist bemoeilijken om tegemoet te komen aan die toenemende eisen. Elektronische vormen van democratie kunnen dan tot meer vervreemding en een grotere kloof leiden. De vertrouwenskloof zal dan niet worden gedicht door e-democracy maar juist worden verbreed. Zoals Robert Krimmer op een congres in Moskou over electoraal management stelt, “trust in the systems by citizens is the big problem”.9 Ook E-democracy staat dus niet los van het vertrouwen in de politiek, zoals in §1.1 eigenlijk al te lezen is. De vraag is nu of e-democracy als deel van de oplossing voor de kloof kan worden gezien of dat een dalend politiek vertrouwen enkel wordt verergerd door edemocracy.
Het politiek vertrouwen daalt, zowel in Nederland als in de landen om ons heen. In een poging dat vertrouwen te herstellen is e-democracy geïntroduceerd. De toepassing van ICT binnen het democratische systeem moet ervoor zorgen dat burgers zich meer bij de politiek betrokken voelen en hiermee de kloof verkleinen. Een tegengestelde these is echter dat e-democracy de druk op de overheid zo zal doen toenemen dat het ondoenlijk is om hierop een antwoord te geven. Daarbij zal de ICT het makkelijker maken dit falen van de overheid zichtbaar te maken. Er zijn dus twee tegengestelde beweringen:
Het probleem dat centraal staat in deze thesis is dat e-democracy enerzijds als oplossing van de vertrouwenskloof tussen burger en politiek wordt gezien en anderzijds als vergroting van die kloof.
In de aanleiding en probleemstelling is een probleem beschreven dat leidt tot de volgende onderzoeksvraag:
Is e-democracy een oplossing of een verergering van het probleem: de kloof tussen burger en overheid?
9 Krimmer, R., lezing: E-Voting in Europe, 2006
§ 1.3 Aanpak van het onderzoek
In de probleemstelling komen de tegengestelde visies op de rol van ICT in de democratie centraal te staan. Om deze tegenstellingen nader te bekijken wordt het Nederlandse debat over elektronisch stemmen nader onderzocht. Enerzijds wordt gekeken naar de rol die vertrouwen speelt in het debat over dat elektronisch stemmen, anderzijds wordt gekeken naar hypothesen die vanuit beide visies naar voren komen. De visies worden in hoofdstuk twee nader uitgewerkt. Deze thesis is opgezet naar een trechtermodel, vanuit de brede formulering van het probleem wordt dit in de loop van de scriptie dus steeds verder afgebakend.
In hoofdstuk twee zal het probleem nader worden uitgelegd en de tegengestelde visies dieper worden uitgewerkt. Dat hoofdstuk is een verslag van de literatuur en argumenten van de twee tegengestelde posities ten opzichte van e-democracy. Daarmee wordt deze thesis in de bredere basis van eerdere wetenschappelijke literatuur gezet. In dat hoofdstuk wordt echter eerst een model gepresenteerd dat in de rest van de scriptie zal worden gebruikt als kader om de koppeling tussen vertrouwen, de moderne democratie en elektronische democratie in dezelfde termen weer te kunnen geven. Vanuit de wetenschappelijke literatuur worden een zestal hypothesen afgeleid. Deze hypothesen worden nader getoetst aan het actuele debat in Nederland. De in § 1.2 beschreven deelvragen 1, 2, 3 en 4 worden in dit hoofdstuk beantwoord.
Is hoofdstuk twee een literatuurstudie, de hoofdstukken daarna zijn gebaseerd op bronnenstudie. Hierin vindt de werkelijke analyse plaats. In hoofdstuk drie wordt de opkomst van ICT in democratische processen in Nederland beschreven. Tevens wordt hierin uitgewerkt wat e-democracy precies is en hoe dit wordt gebruikt in het onderzoek. Dit hoofdstuk schetst wat er precies op het gebied van ICT is geïntroduceerd in de democratie in Nederland, waarom dat was, hoe dat is gedaan en door wie die introductie is gestuurd, kortom een antwoord op deelvraag 5.
Nederland vormt dus de casus in dit onderzoek. Dit omdat hier in de afgelopen decennia geen wezenlijke discussie is geweest over het toepassen van e-democracy terwijl er sinds 2004 openlijk vragen werden gesteld over dit onderwerp. In dat jaar zijn er bijvoorbeeld Kamervragen gesteld over de twijfelachtige betrouwbaarheid van de stemmachines. Ondanks de twijfel werden er daarna stappen gezet, zoals de invoer van stemmachines in gemeenten waar men eerder nog met potlood stemde, bijvoorbeeld Amsterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2006. Nu is de discussie alsnog gaan lopen, en dat maakt Nederland een interessante casus om de ontwikkelingen op het gebied van elektronische democratie te analyseren. Hiervoor wordt eerst gekeken naar verschillende vormen van edemocracy, zoals stemmachines, internetstemmen, interactiebesluitvorming, weblogs en chats.
In hoofdstuk vier wordt bekeken hoe de relatie tussen vertrouwen en e-democracy binnen het debat in Nederland gezien kan worden. Dit wordt gedaan door te kijken naar hoe het debat sinds de introductie van elektronische vormen van democratie gevoerd is, de beschrijving in hoofdstuk drie vormt hierbij de beginsituatie. Omdat niet alle vormen van e-democracy onderwerp van debat zijn geworden, spitst dit hoofdstuk zich toe op de ontwikkelingen rondom stemmachines in Nederland, met name op de ontwikkelingen vanaf 2004 toen de eerste vragen werden gesteld. Deze thesis wil niet de vertrouwenskloof zelf onderzoeken maar de rol van het vertrouwen van de burger in de politiek bij de voortgang van de adoptie van e-democracy. Daarom zal vooral worden gekeken welke rol dit vertrouwen speelt in het debat rondom stemmachines. Daarvoor worden bronnen onderzocht die afkomstig zijn van de betrokken spelers in dit veld. Die betrokken spelers zijn zowel te vinden bij gouvernementele organisaties als bij niet-gouvernementele organisaties. De bronnen die worden meegenomen in het onderzoek zijn veelal beleidsnotities en besluiten, reacties daarop en terugkoppeling op deze reacties (de complete lijst met bronnen is in appendix B opgenomen, de verantwoording voor de selectie in appendix A). Door het spoor van de discussie te volgen, wordt een overzicht gecreëerd welke afwegingen en acties van belang zijn. Op deze manier wordt duidelijk hoe het probleem zich in Nederland voordoet en wordt zodoende antwoord gegeven op deelvraag 6.
In de globaliserende samenleving staan ontwikkelingen in Nederland natuurlijk niet op zich, daarom wordt ook gekeken of ontwikkelingen in andere landen invloed hebben (gehad) op de ontwikkelingen in Nederland. In het licht van een globale trend van politiek scepticisme is dit debat ook breder interessant dan enkel voor Nederland. De conclusies worden wat daarom breder getrokken en gelden voor veel westerse democratieën. Op basis van de analyse van het debat in Nederland, wordt dus gekeken hoe de conclusies relevant kunnen zijn voor landen waar vergelijkbare veranderingen spelen.
De te onderzoeken relatie kan als volgt worden weergegeven:
Figuur 1.1 – conceptueel model
Het onderzoek zal zich richten op de lijn tussen de twee variabelen. De ontwikkelingen in de relatie tussen vertrouwen en e-democracy worden systematisch in kaart gebracht, daarbij wordt specifiek gekeken naar de rol die dit vertrouwen in het debat over e-democracy zelf speelt.
§ 1.4 Doelstelling en relevantie
Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de relatie tussen politiek vertrouwen en edemocracy. Dit inzicht kan meer duidelijkheid verschaffen over welke van de tegengestelde beweringen over e-democracy opgaan. Tevens kan op basis van dit inzicht de stappen op het gebied van edemocracy en de effecten daarvan op de kloof tussen burgers en politiek beter begrepen worden.
In de moderne representatieve democratie is de politieke arena het terrein waar de belangrijke beslissingen worden genomen. De sprekers in deze politieke arena worden door burgers gekozen in een verkiezing. Dit stemproces vormt de kern van de westerse democratie. Juist op dit terrein worden de eerste invloeden van de toepassing van ICT in de democratie duidelijk. Zowel met de voordelen als de problemen van nieuwe technieken krijgt de burger mee te maken. Aangezien dit onderzoek de relatie tussen het (belangrijke) vertrouwen en de adoptie van elektronische vormen van democratie beschrijft, heeft deze scriptie maatschappelijke relevantie. Deze relevantie wordt nog eens extra duidelijk in het licht van opkomende actiegroepen die ageren tegen elektronische vormen van democratie in algemene of specifieke vorm. Wat dat betreft is het onderwerp niet enkel relevant, maar ook erg actueel.
De literatuur die e-democracy behandelt, groeit gestaag. Deze stapel publicaties lopen uiteen van normatieve werken tot empirische studies, die vanuit het perspectief van zowel politicologie en bestuurskunde als vanuit de informatica zijn geschreven. Er is echter nog veel onontgonnen terrein. Veel werken op dit terrein verhandelen over een normatieve relatie, die in het volgende hoofdstuk ook aan bod zal komen. In deze thesis gaat het echter niet om normatieve uitspraken of om een reconstructie van een wetenschappelijk debat. Het empirische debat over stemmachines in Nederland staat centraal. Het is met zeer grote waarschijnlijkheid te stellen dat het onderwerp e-democracy ook in de toekomst onderwerp zal blijven van veel onderzoek en (wetenschappelijke) discussie. Deze thesis kan extra inzichten en empirische informatie leveren van waaruit die discussie gevoed en gevoerd kan worden.
“The important thing is not to stop questioning.”
-Albert Einstein
§ 2.1 Een systeembenadering
De samenleving is continu in beweging. Nieuwe ontwikkelingen op maatschappelijk en technologisch gebied zorgen voor veranderende zienswijzen op individu en samenleving. Deze veranderingen hebben onmiskenbaar een effect op het functioneren van het politieke systeem, zoals de opkomst van de liberale rechtstaat gezien kan worden tegen de achtergrond van een opkomende burgerij. Democratische toevoegingen zijn verbonden met ontwikkelingen als industrialisatie, urbanisatie, emancipatie en latere ontwikkelingen zoals de diensteneconomie (Bovens en Loos et.al.,2002a:11). Een nieuwe, belangrijke transformatie is die naar de informatiemaatschappij, waar ook ontwikkelingen zoals globalisering mee samen hangen (ibid.). Het effect van deze belangrijke en omvangrijke technologische en maatschappelijke revolutie staat centraal in deze thesis, maar om dit effect te kunnen beschrijven is een beginsituatie nodig. Een beginsituatie waarin het functioneren van de representatieve democratie is beschreven voordat die technologische revolutie een rol is gaan spelen. Een beschrijving van het ‘vroegere’ functioneren van de democratie is bijvoorbeeld te vinden in het werk van David Easton. De keuze voor het werk van Easton is gebaseerd op de tijd waarin het is geschreven, namelijk de jaren 1960, en politiek vertrouwen als gemeenschappelijke deler met deze thesis. Politiek vertrouwen speelt, naast de technologische revolutie, een centrale rol in de probleemstelling. Om de impact van de technologische revolutie te beschrijven moet een gemeenschappelijke basis en terminologie blijven bestaan.
Politiek vertrouwen kan worden gedefinieerd als een “basic evaluative orientation toward the government (see Stokes 1962) founded on how well the government is operating according to people’s normative expectations (A. Miller, 1974b)” (Hetherington,1998:791).10 Eastons werk over politieke steun wordt gebruikt als raamwerk om het debat over politiek vertrouwen vorm te geven, niet alleen in deze thesis maar ook in andere werken over politiek vertrouwen (cf. ibid.). Vertrouwen is bij Easton te vinden in zijn begrip van steun, waarin hij onderscheid maakt tussen specifieke en diffuse steun (ibid.:792). David Easton beschrijft zijn theorie in A Systems Analysis of Political Life (1965/1979).
Easton bekijkt het politieke leven als een systeem. Hij interpreteert het politieke leven als “a complex set of processes through which certain kinds of inputs are converted into the type of outputs we may call authoritative policies, decisions and implementing actions” (Easton,1979:17). Een politiek systeem bevind zich in een omgeving, daarom moet het de capaciteit hebben om op storingen te reageren en zich aan te passen. Politieke systemen “cope with their environments” (ibid.:19). Een politiek systeem wordt gekenmerkt door het succesvol vervullen van twee functies: het toedelen van waarde en leden deze
10 Zie: Stokes,1962:62 en A. Miller, 974:989
toedelingen te laten accepteren. Het concept van vertrouwen kan bij Easton worden gevonden in zijn idee van steun (support).
Steun of vertrouwen bestaat en varieert natuurlijk niet zomaar, ze is ergens op gebaseerd. Easton neemt steun voor een politiek systeem onder de bredere paraplu van input, dat behalve uit steun ook uit eisen waarvan men denkt dat deze politiek in vervulling moeten gaan (demands) bestaat (ibid.:27). Kort gezegd loopt de cirkel als volgt: leden van het systeem stellen eisen waarvan zij verwachten dat die politiek vervult (kunnen) worden. De autoriteiten reageren op deze eisen en creëren daarmee de output. Die output zijn de beslissingen en acties van de politieke autoriteiten (ibid.:27/352/353) en bestaat bijvoorbeeld in concrete handelingen of wetten. Output krijgt op zijn beurt ook weer reactie, bijvoorbeeld in de vorm van steun. Een afname aan steun kan leiden tot stress in het systeem en als die stress te groot wordt (en de steun te klein) dan kan het systeem de capaciteit verliezen om haar kernfuncties uit te kunnen voeren. Die kerntaak bestaat uit het nemen van beslissingen en het opleggen van die besluiten (ibid.:22/24). Een systeem zal dus op (potentiële) stress moeten reageren en daardoor vormt stress ook een vorm van input. Steun is dus een reactie op output. Dit proces is vereenvoudigd weergegeven in figuur 2.1. Output leidt dus tot nieuwe input, zo ontstaat een dynamisch systeem met feedbackloops waardoor systemen ook kunnen leren. Naarmate de theorie vordert beschrijft Easton deze loops steeds complexer, dit doet enerzijds wel recht aan de complexiteit van de werkelijkheid rondom een politiek systeem, maar het is voor deze thesis niet nodig een volledige dekking van die complexiteit te geven, het gaat immers om het algemene model.
De toegang tot het politieke systeem door middel van input is echter niet rechtstreeks, een belangrijke schakel hierin vormen de gatekeepers. Deze gatekeepers ontbreken in de gesimplificeerde weergave in figuur 2.1.
Een politiek systeem is een systeem van handelingen van actoren. Deze actoren in het politieke systeem bekleden verschillende rollen. Ieder lid bekleed in ieder geval de rol van burger maar vaak is er sprake van functionele differentiatie, bijvoorbeeld een parlementariër speelt een andere rol dan een burger (ibid.:86). Een speciale categorie aan rollen is ook weggelegd voor de gatekeepers; zij vormen de controlepunten in de stroom van wensen of eisen (ibid.:88). Zij kunnen eisen stoppen of wijzigen en bewaken daarmee de toegang tot het systeem.
Het concept van eisen is eigenlijk tweeledig, enerzijds creëren eisen de grondstof op basis waarvan autoriteiten beslissingen kunnen nemen, maar tegelijkertijd vormen eisen een van de belangrijkste bronnen van stress op het politieke systeem. Als eisen niet worden vervuld, kan dit tot stress leiden. Burgers krijgen het gevoel dat de politiek niet in staat is hun problemen op te lossen en niet aan hun eisen tegemoet kan (of wil) komen, iets wat we tegenwoordig de ‘kloof’ tussen burger en overheid zouden noemen. Dit hoeft niet eens te komen door een gebrek aan wilskracht om die eisen te vervullen maar wordt vaak veroorzaakt door simpelweg een overschot aan eisen. Een politiek systeem heeft een beperkte capaciteit en kan niet alles en zeker niet alles tegelijkertijd. Als er teveel eisen worden gesteld kan het voorkomen dat op deze eisen niet adequaat wordt gereageerd. Te veel input leidt dus tot stress (ibid.:60/61). Het gebrek aan (adequate) output van politieke actoren kan worden opgevat door burgers als onkunde of onwil en kan tot een afname aan steun leiden.
In een democratie is het noodzakelijk voor de legitimiteit van het systeem dat burgers de mogelijkheden hebben om eisen te uiten, het gevaar van input overload is daardoor altijd aanwezig. Dat dergelijke politieke systemen toch kunnen functioneren en kunnen blijven bestaan is onder andere te danken aan de transformaties die eisen ondergaan voordat zij bij de autoriteiten terecht komen. Die transformaties zijn bijvoorbeeld het aggregeren en reguleren van eisen door gatekeepers (ibid.:74/75).
Eisen die naar verwachting in vervulling gaan (en als zodanig worden herkend) vormen een bron van steun. De meeste wetenschappers zijn het er wel over eens dat steun voor een politiek systeem essentieel is om een democratie goed te laten functioneren (Hetherington,1998:792). Net als eisen is steun een vorm van input. Steun is een reactie op output en past daarmee in het cyclische model. Er valt een onderscheid te maken tussen specifieke steun en diffuse steun. Specifieke steun is een soort van ‘beloning’ voor een bepaalde output, bijvoorbeeld een specifiek beleid. Een afname aan specifieke steun is dan ook het gevolg van het falen van beleid, het falen van output om bepaalde eisen te vervullen of het falen van burgers om bepaald beleid te herkennen als een invulling van bepaalde eisen. Diffuse steun is wat minder concreet en kan worden gezien als een meer algemene houding van burgers jegens de autoriteiten (Easton,1979:159-161). Het genereren van dergelijke diffuse steun is dan ook niet het gevolg van specifiek beleid maar van een gevoel van legitimiteit dat de autoriteiten aan burgers geven. Beide vormen van steun zijn belangrijk om een systeem goed te laten functioneren. Steun wordt in deze thesis gezien als een uiting van politiek vertrouwen. Op die manier werkt vertrouwen op systeemniveau; het wordt een aspect van het systeem zelf, niet een kenmerk van een autoriteit op een specifiek moment (Hetherington,1998:792).11
Net zoals een input overload, vormt een gebrek aan steun een oorzaak van stress. Een input overload zelf kan zelf ook een oorzaak zijn van een afname aan steun; als autoriteiten niet tegemoet komen aan eisen dan kunnen burgers dit falen van output zien als een falen van de autoriteiten. Systemen kunnen uiteindelijk zelfs ten onder gaan aan een afname aan steun (Easton,1979:220). Maar ook als een systeem blijft voortbestaan zullen de autoriteiten moeten reageren op de afname aan steun, omdat dit
11 Bevestiging van de stelling dat vertrouwen op systeemniveau werkt, is het gegeven dat het vertrouwensprobleem blijft ondanks dat politieke autoriteiten veranderen.
anders in toenemende mate een bedreiging blijft vormen voor het voortbestaan van het regime of uiteindelijk het hele systeem. Erosie van steun dreigt altijd, het systeem moet daarop inspelen door diffuse of specifieke steun te genereren.
In hoeverre output een stimulus vormen om steun op te wekken is afhankelijk van de mate waarin ze levensomstandigheden wijzigen en de mate waarin output als zodanig gepercipieerd worden. Vooral deze percepties spelen een belangrijke rol aangezien de hedendaagse samenleving zo complex is (ibid.:383). Praktisch niemand kan objectief de oorzaken en gevolgen van maatschappelijke verschijnselen aanwijzen. Dit komt onder andere doordat er een lange tijd tussen output en definitieve uitkomsten kan zitten. Maar ook tussen de reacties op die uitkomsten en het daaropvolgend reageren op die respons zit geen rechte lijn, aangezien ook steun wordt gemedieerd (door gatekeepers bijvoorbeeld) (ibid.:397-399).
§ 2.2 De kloof tussen burger en politiek
Met de beschrijving van input overload, de bijbehorende volumestress en het uitwerken van het begrip steun, specificeert Easton een aantal mogelijke knelpunten in het functioneren van de representatieve democratie. Inmiddels zijn we een paar decennia verder en hebben deze theoretische uitspraken zich in de realiteit gemanifesteerd en stress is een actueel probleem in westerse democratieën.. In de periode na Eastons werk is er in toenemende mate een veronderstelling ontstaan dat onvrede met de politiek zou leiden tot een afkeer van de burger ten opzichte van de politiek (Van Gunsteren en Andeweg,1994:7). Hoewel de erosie van steun een gevaar is van alle tijden, heerst er nu het idee dat die erosie een gat slaat tussen de belevingswereld van burgers en die van de politiek. Dit gat, met “wantrouwende, gedesinteresseerde, zich vol walging afkerende, of cynisch calculerende burgers enerzijds, en van de werkelijkheid vervreemde, carrièrejagende en soms zelf corrupte politici anderzijds” (ibid.:10), zal de geschiedenis ingaan als het begrip ‘kloof tussen burger en politiek’.
Het kloofdebat is niet zomaar ontstaan, het politieke landschap is wel degelijk veranderd. Burgers hebben hun invloed uitgebreid zien worden en men heeft steeds meer en steeds makkelijker toegang tot informatie. Burgers zijn steeds meer van politici gaan verwachten en als de realiteit het inwilligen van deze verwachtingen bemoeilijkt, wordt dat opgevat als onvermogen van politici om te handelen. Men verwacht dat steeds meer zaken politiek vervuld kunnen worden en houdt daarmee geen rekening met de beperkingen van de politieke invloed (Mansbridge,1997:133). Dit houdt overigens niet in dat de kloof enkel door burgers in stand wordt gehouden. Ook politici voeden het kloofdenken door de verwachting bij burgers te wekken dat inderdaad tal van problemen een politieke oplossing kennen. In verkiezingstijd wemelt het van beloften. Vooral populisten spreken ieder probleem in de samenleving aan als daarmee op korte termijn electorale winst te behalen lijkt. Misstanden in de samenleving worden geweten aan een bepaalde politiek, daarmee wordt de verwachting gewekt dat die misstanden door de politiek te beheersen en daardoor politiek op te lossen zijn. Volgens Van Gunsteren en Andeweg (1994) is het kloofdebat nu, niet het eerste in de geschiedenis. Maar waar het democratische stelsel vroeger niet echt ter discussie stond (door angst voor de aanwezige ‘alternatieven’ in de vorm van fascisme en communisme), is er nu geen overduidelijk anti-democratisch systeem meer waartegen de voordelen van democratie zijn af te zetten en is de discussie over de interne problemen in democratische stelsels echt losgebarsten (Van Gunsteren en Andeweg,1994:15).
Natuurlijk is dit niet de enige visie op de kloof. In het boek Het Grote Ongenoegen bespreken voorgenoemde auteurs een aantal vermeende oorzaken van de kloof en een daaraan gerelateerde legitimiteitscrisis. Een aantal van die meningen leggen het probleem expliciet bij de politiek. Daar zou zich een kwaliteitscrisis afspelen, dat leidt tot klachten, die vervolgens niet worden opgelost en daardoor keer op keer terugkomen (ibid.:16). De bijbehorende oorzaak wordt dan gevonden bij politici of bij het politieke systeem. Weer anderen leggen de oorzaak primair bij de verwachtingen van de burger (ibid.:22). Het is niet het doel van deze scriptie om een hoofdschuldige aan te wijzen, veel interessanter is het om te verkennen wat die kloof nu eigenlijk is, welke dimensies daaraan zitten. Als men in de media op zoek gaat naar wat die kloof nu eigenlijk inhoudt, dan is het resultaat vaak een opsomming van symptomen. Vooral afname van participatie blijkt vaak een reden om van een kloof te spreken. Dalende opkomsten bij verkiezingen bijvoorbeeld, of het uitbrengen van een proteststem, voornamelijk op extreemrechts. Deze ontwikkelingen worden gezien als een uiting van wantrouwen van burgers in de politiek (ibid.:26). Ook zijn politici cynisch over de burger en de publieke moraal. Deze houdingen kunnen worden gezien als een dimensie van de kloof, Schedler noemt deze dimensie ‘kritiek’, en vat symptomen als protest, cynisme en onvrede daaronder (Schedler,1993,in: ibid.:26/27). De tweede dimensie die Schedler onderscheidt is de dimensie die onder de naam ‘afstand’ schuilt. Hieronder vallen symptomen als vervreemding; de politiek luistert niet naar wat er onder burgers leeft, onverschilligheid en apathie; politiek interesseert burgers niet meer en men wil niet meer participeren (ibid.). Deze vervreemding van burgers en politici wordt in veel westerse democratieën waargenomen. King (1997) bijvoorbeeld stelt dat politieke partijen hun eigen weg gaan en met zichzelf bezig zijn, daardoor is er onvoldoende aandacht voor de houding en de wensen van burgers (King,1997:172/173). Een opkomend individualisme onder burgers helpt daar natuurlijk niet bij. Dat individualisme gaat gepaard met een veranderende burger die steeds meer gericht is op de eigen rechten als burger, waarbij minder rekening wordt gehouden met algemene belangen en steeds meer aandacht is voor eigen belang (Mansbridge,1997:144). Deze trends zorgen voor een grotere druk op autoriteiten om problemen op te lossen, die zich eigenlijk niet lenen voor een politieke oplossing. Men vraagt van de overheid om meer te doen dan het kan doen en daardoor neemt de stress toe (ibid.:133).
In een objectieve beschouwing van de kloof, bijvoorbeeld door opvattingen of demografische kenmerken van burgers met die van politici te vergelijken, is de kloof eigenlijk niet gegroeid in de afgelopen decennia maar juist verkleind (Van Gunsteren en Andeweg,1994:28). Het gaat echter niet om een objectieve kloof, maar om een gepercipieerde kloof. De eerder genoemde subjectieve begrippen als vervreemding en onverschilligheid zijn in het licht van die constatering inderdaad de centrale begrippen die de kloof maken. De auteurs vinden overigens weinig ‘bewijs’ van dergelijke symptomen van de kloof en leggen de oorzaak van de kloof bij het zelfcorrigerend vermogen van de politiek (ibid.:67). Die oorzaak lijkt een beetje op de eerder gegeven beschrijving dat burgers verwachtingen hebben van de politiek die politici niet waar kunnen maken. Echter zien deze auteurs dit probleem geïnitieerd door politici zelf; zij zijn wel in staat problemen aan de kaak te stellen maar falen er uiteindelijk in deze problemen aan te pakken (ibid.).
Onafhankelijk of de primaire oorzaak nu bij burgers of bij politici ligt, kan de kloof worden beschreven als het falen van politieke actie (output) om te voldoen aan wensen en verwachtingen (input), hetgeen toenemende stress tot gevolg heeft. Dat deze kloof zich in de laatste decennia is gaan manifesteren is niet verwonderlijk als de technologische vernieuwingen van deze periode worden bekeken. Met deze technologische vernieuwing wordt vooral gedoeld op de informatierevolutie. De ontwikkelingen op het gebied van informatie en communicatietechnologie (ICT) hebben ervoor gezorgd dat steeds meer burgers bredere toegang hebben tot steeds meer informatie. Ook wordt het zoeken van medestanders, het organiseren van actie en het uiten van onvrede steeds meer gefaciliteerd door ICT. Het is dan ook deze ICT ontwikkeling, de revolutie in informatievoorziening, waarin het grote verschil tussen het functioneren van de democratie ‘vroeger’ en het functioneren ‘nu’ moet worden gezocht.
§ 2.3 De opkomst van ICT en het e-systeemmodel
“When we start to think of storing any appreciable fraction of a technical literature in computer memory, we run into billions of bits and, unless things change markedly, billions of dollars.”
Dit schreef J.C.R. Licklider in 1960. Nu, bijna een halve eeuw later moeten we vaststellen dat things changed markedly. De miljarden bits waar Licklider het over heeft bijvoorbeeld, een miljard bits is ongeveer 122KB (kilobytes), zijn een ongewoon kleine hoeveelheid geheugen voor hedendaagse begrippen. Nieuwe computers worden standaard met ongeveer 2000 maal zoveel geheugen uitgerust en dat geheugen kost slechts enkele tientallen euro’s, geen miljarden meer. De tijden zijn veranderd.
Licklider was een van de pioniers van het ‘netwerk van netwerken’. In zijn paper ‘Man-Computer Symbiosis’ van 1960 roept hij op een wereldwijd netwerk te starten, hij wil “a network of such [computers], connected to one another by wide-band communication lines”, die “the functions of present-day libraries together with anticipated advances in information storage and retrieval” bieden (Licklider,1960).12 Volgens Licklider moest een dergelijk netwerk in 10 tot 15 jaar te realiseren zijn. Hij kreeg de kans om dat waar te maken toen hij in 1964 hoofd van een afdeling werd om dit verder te onderzoeken. Zijn ideaal van een onderling verbonden computernetwerk werd bewaarheid met ARPAnet, dat in 1972 werd geïmplementeerd.13 ARPAnet is steeds verder uitgebouwd en is de kern van het netwerk dat uiteindelijk het internet is geworden. Het systeem werd gekoppeld aan Europese en Australische systemen en er werden protocollen ontwikkeld waarmee computernetwerken wereldwijd aan elkaar verbonden werden en informatie konden uitwisselen. Vanuit de term internetwork protocol is de nu gebruikelijke naam internet geboren. Begin jaren ’90 werd de meeste bekende toepassing van internet ontwikkeld, het World Wide Web (WWW). Dit www werd mogelijk gemaakt door een protocol dat voorzag in gemakkelijke informatie-uitwisseling (het http protocol), ontwikkeld door Tim Berners-Lee en anderen verbonden aan het CERN instituut in Europa. Internet is inmiddels doorgedrongen in alle delen van de wereld en biedt wereldwijd een ongekende toegang tot informatie en communicatie.
12 In plaats van het woord computers gebruikt Licklider ‘thinking centers’. 13 ARPAnet bouwde eigenlijk voort op een experimenteel netwerk in Hawaii uit 1970, dat (heel toepasselijk) ALOHAnet heette.
Tegenwoordig is internet niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Dit netwerk van netwerken heeft niet alleen onze informatietoegang en communicatiemogelijkheden veranderd, maar ook de economie is er fundamenteel door gewijzigd (denk aan de dot-com hype). Computers en toegang tot internet zijn gemeengoed geworden, uit CBS cijfers uit 2006 blijkt dat 73% van de Nederlanders thuis een PC met internet toegang heeft (CBS,2006). Uit cijfers van een jaar eerder blijkt dat 82% toegang heeft tot internet (thuis of elders). In slechts 45 jaar tijd is het idee van een netwerk van netwerken uitgegroeid tot een internet dat niet meer weg de denken is uit onze samenleving, enkel de televisie heeft een nog groter bereik. Internet is een van de meest zichtbare resultaten van de opkomst van informatie en communicatie technologie en is een informatierevolutie in zichzelf. Nooit had zo’n groot deel van de burgers in democratieën zo gemakkelijk toegang tot zo’n ongekende hoeveelheid informatie. Niet onlogisch natuurlijk dat het klassieke model van de democratie verandert onder druk van deze infrastructuur en technologie. Traditionele actoren in het politieke systeem proberen in te spelen op de invloed die ICT op de sociale en politieke cultuur heeft.
In een democratie is een van de belangrijkste ‘traditionele’ actoren de politieke partij. Tevens vormt de politieke partij een van de belangrijkste gatekeepers.14 Deze belangrijke rol komt voort uit noodgedwongen differentiatie in de democratische praktijk, waarin men met volksvertegenwoordigers werkt. Het democratische aan die representatieve democratie is het proces van de verkiezing van die volksvertegenwoordigers. Verkiezingen zijn van groot belang voor het stimuleren van steun voor belangrijke politieke instellingen en het verbeteren van het politiek vertrouwen, omdat het systeem middels verkiezingen haar democratische aard laat zien (Kornberg & Clarke,1992:xv/xvi). Het geeft de burgers een gevoel van legitimiteit van het systeem, ook als een regime verandert kan het systeem dan blijven bestaan (cf. Easton,1979). Toepassingen van ICT in het politieke systeem richten zich dan ook in eerste instantie op het democratische proces. Het is immers van groot belang dat het democratische proces soepel en betrouwbaar verloopt. De toepassing van ICT op het democratische proces wordt elektronische democratie genoemd, vaak aangeduid met de Engelse term e-democracy.
E-democracy speelt op verschillende punten een bijzondere rol in het eerder beschreven systeemmodel. Het systeemmodel van Easton beschrijft input, output, steun, stress en gatekeepers. E-democracy bevindt zich vooral aan de input kant van het systeem, terwijl toepassingen aan de output kant zich meer bevinden op het terrein van e-government. Het onderscheid tussen e-democracy en e-government wordt in hoofdstuk drie verder verduidelijkt, voor nu zal wordt de volgende definitie aangehouden:
“e-Democracy consists of all electronic means of communication that enable/empower citizens in their efforts to hold rulers/politicians accountable for their actions in the public realm. Depending on the aspect of democracy being promoted, e-democracy can employ different techniques: (1) for increasing the transparency of the political process; (2) for enhancing the direct involvement and participation of citizens; and, (3) improving the quality of opinion formation by opening new spaces of information and deliberation” (Trechsel et.al.,2003:10/43).
14 Easton reserveert wel voorzieningen voor het doen opgaan van zijn model in niet-democratische systemen. Die voorzieningen worden hier achterwege gelaten, het model wordt immers gebruik voor een variant van democratie.
Deze definitie van e-democracy maakt duidelijk dat het om veel meer gaat dan enkel het automatiseren van processen. Het automatiseren van processen heeft vaak tot doel om kosten te verlagen of de toegang flexibeler en makkelijker te maken. Bij e-democracy gaat het, in navolging van bovenstaande definitie, ook om de kwaliteit en transparantie van de processen, om betrokkenheid en deliberatie en uiteindelijk om de participatie van burgers in het politieke proces te vergroten. Er zijn verschillende toepassingen mogelijk die onder deze definitie van e-democracy vallen, zoals bijvoorbeeld stemmachines en internetstemmen, maar ook interactieve stemwijzers, discussiefora, chatsessies met en weblogs van politici. Zo valt ook het toepassen van ICT in verspreiding van politieke informatie en interactieve besluitvorming onder deze definitie. De opstellers van de bovenstaande definitie, Trechsel, Kies, Mendez en Schmitter, benaderen e-democracy als een positieve ontwikkeling in het democratische proces, later zal duidelijk worden dat niet iedereen daar zo over denkt.
Oud-minister Van Boxtel schrijft in een boek over de invloed van ICT op democratie en recht dat ICT een dusdanig grote impact heeft op de samenleving, dat de overheid er wel op moet inspelen. De overheid moet actief democratische normen en waarden behartigen en zichzelf dus in feite transformeren om haar positie in de samenleving in dit elektronische tijdperk te behouden (Van Boxtel et.al.,2002a:77/78). Deze transformatie van de overheid is vooralsnog enkel te zien als een mogelijke toekomstige verandering in de relatie tussen de overheid, het maatschappelijk middenveld, de private sector en individuele burgers door het toedoen van het gebruik ICT in de politieke, bestuurlijke en administratieve praktijk (viWTA,2005:6). Welke rol ICT uiteindelijk zal gaan spelen, kan niemand voorspellen. Er zijn vele scenario’s denkbaar, van een big brother wereld tot een directe digitale democratie (Coleman et.al.,1999:5). Dergelijke extremen zijn niet erg waarschijnlijk, maar binnen die bandbreedte is veel mogelijk (Van Boxtel & Schrijver,2002b:105). De toekomst van de democratie zal meer bepaald worden door de manier waarop de samenleving naar zichzelf kijkt dan direct door technologische ontwikkelingen (Alcock & Lenihan,2001:24/25,in: ibid.:106). De overheid zal voor zichzelf een plek moeten veroveren in die nieuwe manier van kijken, wil zij haar rol behouden in de klassieke feedback loop in het systeemmodel van Easton en ICT aanwenden om de stress te verminderen.
De eisenstroom in het systeemmodel maakt deel uit van de input kant van dat model, door nieuwe technologie kunnen burgers hun mening makkelijker en sneller vormen doordat informatie beter toegankelijk is en deze sneller en gerichter gevonden kan worden, voornamelijk door toedoen van internet (Bimber,2000:331). “ICT’s en vooral het Internet bieden burgers -voor het eerst in de geschiedenis -een breed, relatief goedkoop en vooral interactief platform voor communicatie en organisatie” (viWTA,2005:9). Dit toegankelijke platform voor communicatie en organisatie zorgt er ook voor dat burgers met dezelfde (soort) eisen elkaar makkelijker kunnen vinden en deze eisen gezamenlijk kunnen uiten. Op deze manier verandert de klassieke vorm van de eisenstroom in het model. Allereerst hebben burgers gemakkelijk toegang tot veel informatie, dat stelt burgers in staat zelf de overheid te controleren. Dit verkleint de invloed die politieke actoren en gatekeepers kunnen uitoefenen op de manier waarop en de vorm waarin informatie de burgers bereikt. Burgers kunnen met die informatie makkelijker wensen vormen op meer terreinen en kunnen die wensen in eisen omzetten. Deze eisen zijn door burgers zelf te aggregeren met gelijksoortige eisen via internet en e-mail. Het opzoeken van gelijkgestemden is nog nooit zo makkelijk geweest als in dit digitale tijdperk. Gezamenlijk kunnen groepen burgers deze eisen uiten, waarbij gatekeepers kunnen worden omzeild doordat nieuwe technologieën het makkelijker maken dat deze gelijkgestemden hun eisen direct voorleggen aan politiek relevante actoren, bijvoorbeeld middels chatsessies, op internetfora of via elektronische formulieren.15
In deze veranderingen van input staat centraal dat burgers eisen zelf aggregeren en sneller en directer uitten. Daarmee verandert vooral de rol van de gatekeepers. Voor een deel worden de traditionele gatekeepers buiten spel gezet, maar voor een deel worden zij vervangen door nieuwe gatekeepers.16 Via internet kunnen burgers zelf een soort gatekeeper functie vervullen. Afhankelijk van het perspectief worden op deze manier de gatekeepers omzeilt, of is de toegang tot de rol van gatekeeper breder en makkelijker waardoor de rol en de waarde van deze devalueert. Gatekeepers die zich geconfronteerd zien met deze veranderende rollen zijn bijvoorbeeld de traditionele media of politieke partijen.
Het moge duidelijk zijn dat de opkomst van ICT vanuit politicologisch perspectief niet enkel een technologische revolutie is, maar vooral een informatierevolutie. In het klassieke systeemmodel speelt informatie ook een belangrijke rol. Eisen zijn een vorm van informatie waarmee het regime in staat wordt gesteld om beslissingen te nemen en daarnaar te handelen. Burgers hebben in hun politieke processen, zoals verkiezingen, informatie nodig om een keuze te kunnen maken en om hun eisen te formuleren. ICT verandert de toegang tot de informatie en wijzigt en verkort de wegen die informatie en informatiestromen kunnen nemen. Dit versterkt de focus op input en de rol van gatekeepers nogmaals, die dus niet enkel vanuit een technisch oogpunt hun rol zien veranderen, maar ook vanuit het, zeer belangrijke, informatieaspect (Bimber,2000).
De veranderingen aan de inputkant van het systeem hebben invloed op de manier waarop stress het systeem bedreigt. Afhankelijk van het perspectief kunnen deze veranderingen echter als positief of als negatief worden gezien. Enerzijds kan input sneller worden verwerkt, soms zelfs direct als in een interactieve sessie met een politieke actor onmiddellijk een antwoord kan worden gegeven. Dit bewerkstelligt dan ook een nauwere relatie tussen kiezer en gekozene en verlaagt de druk van stress. Anderzijds is het makkelijker om medeburgers met gelijksoortige eisen te vinden en deze eisen te uiten, dit zou kunnen leiden tot een toename in het aanbod van eisen en de kracht die de eisen meekrijgen. Kort gezegd kan e-democracy de afhandeling van eisen vergemakkelijken waarmee steun wordt opgewekt, maar maakt ze het ook makkelijker om eisen te uiten waardoor stress in het systeem toeneemt.
ICT heeft haar plek als technische ontwikkeling inmiddels verlaten en is een belangrijke rol gaan spelen als maatschappelijk ontwikkeling. In het licht van de toenemende kloof tussen burger en overheid (zie § 2.2) kan deze maatschappelijke ontwikkeling gezien worden als kans om deze kloof te verkleinen,
15 Overigens betekent het gebruik van informatie op internet niet dat deze informatie ook altijd juist, volledig en onpartijdig is. Sterker nog, informatie op internet is niet zelden problematisch. 16 Zie bijvoorbeeld: Bimber,2000:332 en R. Dahl, Democracy and its Critics, 1989
bijvoorbeeld doordat de mogelijkheden tot participatie makkelijker kunnen worden uitgebreid. Het opzoeken van informatie op internet kan mensen (misschien vooral jongeren) meer betrekken bij politieke onderwerpen en daarmee politieke interesse opwekken. Van de andere kant kunnen deze schat aan informatie en controlemogelijkheden leiden tot meer eisen vanuit burgers, waardoor de stress op het systeem toe kan nemen. Als die toenemende eisenstroom ertoe leidt dat autoriteiten daarop niet adequaat kunnen reageren, dan voorziet informatietechnologie burgers van de mogelijkheden om dat sneller te detecteren en hun onvrede daarover weer te uiten. Als die weg eenmaal is ingeslagen zou dit een negatieve feedbackloop kunnen worden (Gamson,1968:45). In deze paragraaf worden de verschillende visies op de rol die e-democracy kan spelen in de problematiek rond de relatie tussen burger en politiek verder verkend. De tegenstelling in visies, die het onderwerp van de probleemstelling vormt, wordt hier uitgewerkt. De vraag is of e-democracy kan stressverlagend of stressverhogend werkt.
§ 2.4.1 E-democracy als zegen
In § 2.3 is gezegd dat de overheid moet inspelen op de technologische ontwikkelingen om ervoor te zorgen dat ICT ten positieve kan worden aangewend om de kloof tussen burgers en overheid te verkleinen. Overheden moeten proberen om burgers bij de politiek te betrekken. Het vertrouwensvraagstuk vormt dus een insteek om ICT toe te passen in de democratie.
Autoriteiten willen inspelen op de roep naar meer politiek gevoel, de roep naar een betere ‘democratische ervaring’, door bijvoorbeeld het stemproces (dé vorm van het uitoefenen van invloed op de politiek) te voorzien van informatie en communicatie technieken. Vertrouwen in de politiek is ook een kwestie van het ervaren van democratie (cf. Hajer,2000). Middels snellere resultaten (bijv. stemmachines) of vereenvoudigde toegang (bijv. internetstemmen) probeert men de dalende participatie en afnemende opkomst bij verkiezingen een halt toe te roepen. Die symptomen worden immers gezien als een uiting van de kloof. De meeste politici en beleidsmakers zijn dan ook voor elektronisch stemmen, omdat dat de betrokkenheid van stemgerechtigden zou vergroten (Oostveen & Van den Besselaar,2004:73). Uit de definitie van e-democracy, zoals die is gegeven in de vorige paragraaf, blijkt ook een verwachting van een positief effect op de democratie.
Elektronische vormen van democratie maken het technisch makkelijker om participatie van burgers te vergroten. In reactie op de toenemende kloof tussen burger en overheid proberen politici burgers ervan te overtuigen dat ze wel in staat zijn om zaken aan te pakken. Steeds meer proberen politici internet te gebruiken als medium om burgers te bereiken en rechtstreeks met hen in debat te gaan, in het volgende hoofdstuk worden een aantal toepassingen hiervan besproken. ICT vergroot hiermee de betrokkenheid bij de democratie en maakt het technisch mogelijk om participatie van burgers te vergroten om op die manier de vertrouwenskloof te dichtten (Mansbridge,1997,134).
Het idee achter het kloofdenken is dat burgers zich genegeerd voelen en een andere relatie met hun vertegenwoordigers zoeken. Men probeert de participatie te vergroten en de burger meer te betrekken door politieke vernieuwingen door te voeren of, op zijn minst, te overwegen (Coleman,2003:149). Deze vernieuwingen kunnen in de vorm van een ander kiesstelsel komen, maar ook op meer innovatieve wijzen zoals met deliberatieve democratie. Dat houdt in dat burgers uitgebreid worden geïnformeerd en met elkaar kunnen discussiëren over beleidsvraagstukken (Fishkin,1997). Dergelijke deliberatie kan natuurlijk face-to-face, maar ICT kan de drempel hiertoe nog meer verlagen. Een voorbeeld van een elektronische toepassing hiervoor is Synthetron (http://www.synthetron.com/), een online deliberatie faciliteit. Internet werd in het verleden nogal eens gezien als eenrichtingsverkeer van overheid naar burger (Coleman,2003:148).
Bij de verkenning van de kloof in § 2.2 is al opgemerkt dat de feitelijke afstand tussen burger en politicus eerder kleiner is geworden dan groter. ICT zorgt voor deze verkleining van afstand door het belang van geografische afstand te verkleinen en de toegang tot informatie te vergroten. Burgers krijgen de mogelijkheid om politici beter te informeren over hun wensen en tegelijkertijd krijgt de overheid de mogelijkheid burgers beter te informeren (Van Zuijlen,1997:104). ICT vormt dus een overbrugging van de kloof door als instrument van politieke informatie dienst te doen:
“As these barriers are transcended by communication technologies which are asynchronous and global, democratic institutions can only flourish if they become more porous, accessible, accountable and rooted in public space. One is not talking here about e-democracy as the digitisation of mundane administrative tasks, or as a sci-fi gimmick, but as a force for the reinvigoration of democratic politics” (Coleman,2003:151).
Kakabadse, Kakabadse en Kouzmin (2003) gaan nog een stapje verder. De problemen van de individualisering in de samenleving en de wens van de burger om meer invloed op het politieke proces te krijgen, kunnen niet worden opgelost door wat politieke vernieuwing maar enkel door burgers fors meer invloed te geven.
“A deep cynicism toward the representative-democracy model is emerging in many democratic societies (Gore,1994). Many disenchanted voters are demanding a shift from ‘representative democracy’ to ‘direct democracy’ (Sardar,1996)” (Kakabadse et.al.,2003:48).
Klassieke politiek filosofen als Aristoteles en Socrates zagen zo’n directe democratie verwezenlijkt worden in een politiek stelsel waarin burgers met elkaar over politieke zaken konden spreken. Zo’n dialoog zou echter niet mogelijk zijn in politieke gemeenschappen die groter zijn dan de klassieke stadstaten zoals Athene (cf. Held,1996). Ook bij de opzet van de huidige representatieve democratie staat actieve participatie van burgers bij de besluitvorming centraal (cf. Fishkin,1997). In de praktijk is het echter niet mogelijk alle burgers bij besluitvorming te betrekken, noch bij de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, daarom werkt men met vertegenwoordiging (Coleman,2003:149). Het ideaalmodel van een dialoog tussen betrokken burgers kan voor het eerst in de moderne democratie vorm krijgen, doordat ze technisch mogelijk is geworden middels ICT (Kakabadse et.al.,2003:49). Doordat burgers door middel van internet en andere technologie makkelijker kunnen communiceren, hun mening kunnen uiten en de overwegingen van anderen te weten kunnen komen, zouden zij meer rekening houden met anderen en met de realiteit (ibid.:50). De kloof is immers niet een aanklacht tegen de democratische kernwaarden, maar juist tegen de invulling die daaraan wordt gegeven. Een ingrijpende verandering van die invulling, zou het cynisme kunnen doen afnemen (ibid.:48). “While not exactly the democracy of the Athenian public meeting, […] IT promises to close the gap between governors and the governed” (ibid.:50).
Ook zonder meteen aan directe democratie te denken kunnen de mogelijkheden van een elektronische democratie als positieve ontwikkeling gezien worden:
“Because the Internet represents a shift from mass media to interactive media, and from monological to dialogical communication, it can be seen as an important enlargement of the possibilities for participation. As studies of media use behavior show, well educated and politically sophisticated citizens are the early adopters of these new media” (Mazzoleni en Schulz,1999:254).
Als meer mensen gebruik maken van deze nieuwe media en hun participatie hiermee wordt vergroot, dan heeft dit positieve effecten op de legitimiteit van de autoriteiten ten opzichte van burgers en daardoor neemt de druk van stress op het systeem af.
§ 2.4.2 E-democracy als vloek
In de vorige paragraaf is het idee uitgewerkt dat elektronische vormen van democratie bijdragen aan het verkleinen of oplossen van de kloof tussen burger en overheid en daarmee de druk van stress op het politieke systeem kan verlagen. De tegengestelde these, dat e-democracy de kloof juist verergert, bestaat ook en komt in verschillende literatuur naar voren. Neem het stemproces bijvoorbeeld, in de inleiding werd reeds genoemd dat landen met een rijke democratische traditie misschien wat terughoudend zijn in het overstappen op elektronisch stemmen, omdat er ook een bepaald gevoel hoort bij het stemproces dat misschien gezamenlijk met het rode potlood verdwijnt.
Oostveen en Van den Besselaar wijzen erop dat het van groot belang is dat burgers erop kunnen vertrouwen dat het stemproces eerlijk verloopt. Volgens hen is het noodzakelijk dat burgers dit vertrouwen bevestigd kunnen zien worden. De vereisten aan een eerlijk stemproces zijn dan ook vooral dat het proces transparant is en dat burgers de procedure en de uitslag kunnen controleren (Oostveen & Van den Besselaar,2005:305). Het is essentieel dat een stemproces eerlijk verloopt, met nauwkeurige telling, bescherming van de privacy en controleerbare uitkomsten. Traditioneel stemmen met rood potlood en een stembiljet, voldoet aan deze vereisten (althans in westerse democratieën) (ibid.). Van elektronisch stemmen is het nog maar de vraag of aan deze criteria voldaan wordt. Bij burgers ontbreekt vaak de technische kennis om te kunnen beoordelen of ICT precies doet wat het moet doen. Zeker nu mensen steeds vaker thuis of op het werk met een computer werken, komen zij in aanraking met technologie die niet doet wat ze ervan verwachten, bijvoorbeeld door een verstoring veroorzaakt door een computervirus. Ook de gevaren van internet zijn bij de meeste burgers inmiddels bekend uit eigen ervaring, dit doet afbreuk aan het vertrouwen dat men in de techniek heeft. Als men het idee heeft dat eenzelfde techniek achter het stemproces zit, kan ook dit stemproces aan vertrouwen verliezen. Aangezien een eerlijk stemproces de kern van de democratie is, brengt de introductie van ICT in het stemproces een daling van vertrouwen in dat proces met zich mee. “IT security is more than just a technological issue” (Oostveen & Van den Besselaar,2004:73). Het gaat er uiteindelijk niet om of stemmen goed geteld worden, maar of de stemmer ervan overtuigd is dat zijn stem juist wordt geteld.
Bij het gebruik maken van stemmen via internet gaat nog een ander probleem spelen, namelijk dat van het stemgeheim. Bij stemmen over internet is niet te controleren wie er meekijkt met de stemmer en mogelijk invloed uitoefent op het stemgedrag. Elektronisch stemmen op afstand kan daarom het stemgeheim niet garanderen (cf. Vollan,in:Krimmer(ed),2006)
Als het democratische proces niet transparant en controleerbaar is, kunnen burgers niet op het proces zelf vertrouwen. Er is dan een vertrouwen nodig in de organisatoren en technische experts, die achter de techniek zitten. Er is dus vertrouwen nodig in de sociopolitieke instituties rondom die techniek en juist aan dat vertrouwen ontbreekt het (Oostveen & Van den Besselaar,2004:75). Zonder vertrouwen in dergelijke instituties kunnen burgers enkel met wantrouwen kijken naar het ondoorzichtig en oncontroleerbaar worden van de meest elementaire processen van de democratie.
Politiek wordt altijd gemedieerd door gatekeepers, in eerste instantie waren dat vooral volksvertegenwoordigers, daarna aangevuld met journalisten en redacteuren van kranten en vervolgens programmamakers en experts die op televisie hun verhaal doen. Deze veranderingen in de omgeving van het politieke systeem hebben politiek en politieke besluitvorming dichterbij de burger gebracht. De media hebben dit versterkt door de kijker meer invloed te geven op de inhoud. Men mag meepraten, op tal van terreinen wordt de burger naar zijn mening gevraagd en men mag een oordeel vellen over de meest ingewikkelde beleidsvraagstukken. De dialoog met volksvertegenwoordigers is beter toegankelijk middels internet maar tegelijkertijd minder persoonlijk dan contact in ‘zaaltjes’ of op straat. De burger verandert, men heeft meer vertrouwen in zichzelf en luistert minder naar experts en professionals. Politieke loyaliteiten nemen af en men is meer geneigd te vertrouwen op de eigen ervaringen (Coleman,2003:150).
“The public has come to be more interested than ever in seeing and hearing itself via the media […]. So-called reality TV, […] showed the public engaging in its own conversations, in its own voices, rather than as onlookers on the exclusive deliberations of a seemingly closed elite. […] So, by the beginning of the twenty-first century there was a sense that politics should and would adapt.” (ibid.:150)
Deze mediaontwikkelingen hebben de burger een ander beeld van de politiek gegeven. Nu de politiek hierop inspeelt hebben die media ook steeds meer terrein gewonnen op het gebied van politieke communicatie. Zoals in de vorige paragraaf al is aangegeven, is met die media de mogelijkheid van een directe elektronische democratie ontstaan. Met het ontstaan van die mogelijkheid, lopen traditionele democratische instituties het risico hun gatekeeper functie te verliezen. Burgers en overheid kunnen direct met elkaar communiceren, waardoor ook traditionele sociale en politieke banden verloren zullen gaan; “the new media will fragment the electorate, eroding the traditional social and political bonds that have united the polity; political parties will lose their function as cultural structures mediating between the people and the government;” (Mazzoleni en Schulz,1999:248). Aangezien politieke partijen nog wel de formele vertegenwoordiging van burgers vormen, zullen nieuwe media (zoals internet) de vervreemding tussen politici en burgers enkel vergroten (Kampen en Snijkers,2003:493).
Kampen en Snijkers (2003) beschrijven het idee dat e-democracy de kloof kan dichten zelfs als de “ultimate e-dream: that ICT can solve the problems that are inherent tot modern representative democracies” (Kampen en Snijkers,2003:492). In hun artikel betogen zij dat de problemen van de representatieve democratie niet opgelost kunnen worden met behulp van ICT. Zij halen verschillende auteurs aan om te kunnen stellen dat er weliswaar duidelijk sprake is van afname van vertrouwen in westerse democratieën, maar dat ICT niet het vermogen heeft om het vertrouwen te herstellen (ibid.:492).
Een burger die alles vanachter de PC doet, brengt het individualisme alleen maar naar een hoger niveau (Kakabadse et.al.,2003). Het informatietijdperk combineren met democratie brengt daardoor nieuwe problemen van sociale segregatie met zich mee. “Unthinking IT applications could easily create states of alienated and atomized individuals” (ibid.:53). Daarmee wordt het probleem versterkt dat men in eerste instantie probeerde op te lossen, zoals Jane Mansbridge stelt: “the information revolution, […] may well have produced greater perceptions of government failure” (Mansbridge,1997:149). ICT kan wel een grotere participatie met zich meebrengen maar in een representatieve democratie leidt dat niet tot meer betrokkenheid bij de besluitvorming. Die blijft bij de traditionele beleidsmakers. ICT kan dus verwachtingen creëren die niet worden waargemaakt. De informatierevolutie heeft de stress enkel vergroot in plaats van verkleind.
§ 2.5 Tot slot, de hypothesen
Door toedoen van internet en andere technologische ontwikkelingen is er meer informatie beschikbaar voor een breder publiek dan ooit in de geschiedenis is voorgekomen. In dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat politici deze technieken graag willen aanwenden om de kloof tussen burger en politiek te verkleinen. Sommige auteurs bieden hiervoor een theoretische fundering, anderen zijn echter van mening dat het toepassen van ICT in het democratische proces deze kloof alleen maar zal vergroten en bieden ook voor die tegengestelde these een theoretische basis. De twee denkrichtingen zijn dus met elkaar in tegenspraak. Toch zijn vele landen de weg ingeslagen waarin ICT een steeds centralere rol gaat spelen in de democratie, waaronder Nederland. In de komende hoofdstukken wordt bekeken hoe de ontwikkelingen in Nederland zijn verlopen, wat de status nu is en of e-democracy gezien kan worden als een zegen of een vloek voor het vertrouwensprobleem in Nederland.
De discrepantie in de twee zienswijzen die in § 2.4 zijn besproken, vormt het onderzoeksprobleem van deze thesis. Vanuit de twee visies op de impact van e-democracy op de kloof komen een aantal punten naar voren die in hypothesen worden vertaald. Deze hypothesen zullen vervolgens getoetst worden in het debat in Nederland. Aangezien in dit hoofdstuk een duidelijke tegenstelling naar voren komt tussen visies die enerzijds e-democracy als stressverlagend en anderzijds als stressverhogend zien, is ervoor gekozen de hypothesen qua structuur een afspiegeling te maken van deze tegenstelling. Door drie hypothesen af te leiden uit de eerste visie en eveneens drie uit de tweede visie wordt een evenwicht gecreëerd in hypothesen op basis van zowel ‘vloek’ als ‘zegen’ theorieën. Aangezien de hypothesen worden gebruikt als perspectief in het debat, zou een ongelijk aantal hypothesen meer overwegingen uit een van de visies in het onderzoek betrekken. Om het feitenrelaas neutraal te houden is dat onwenselijk.
Hypothesen dat e-democracy stressverlagend werkt:
Hypothese 1: Elektronische vormen van democratie vergroten de politieke participatie door hiervoor meer mogelijkheden te bieden en deze mogelijkheden toegankelijker te maken.
Hypothese 2: Informatie en communicatie technologieën vernieuwen en versterken het democratische proces.
Hypothese 3: Informatie en communicatie technologieën maken meer ‘directe’ democratie mogelijk.
Hypothesen dat e-democracy stressvergrotend werkt:
Hypothese 4: Elektronische vormen van democratie verkleinen de transparantie en controleerbaarheid van het stemproces waardoor burgers in een wantrouwende samenleving niet meer op een goede afhandeling zullen vertrouwen.
Hypothese 5: Traditionele gatekeepers verliezen terrein aan nieuwe gatekeepers die de oorspronkelijke rollen met behulp van informatie en communicatie technologie transformeren.
Hypothese 6: Het toenemende belang van informatie en communicatie technologie leidt tot een segregatie tussen de informatierijken en informatiearmen (een digital-divide).
"Democracy is the name we give the people whenever we need them."
-Marquis de Flers Robert en Arman de Caillavet
§ 3.1 Korte inleiding tot de praktijk
Tot nu toe is e-democracy als concept uitgewerkt. Eerst is gekeken naar het functioneren van de representatieve democratie, vervolgens is de opkomst van ICT daarbij gehaald en zijn twee tegengestelde visies op de rol van ICT in de democratie besproken. Tegenwoordig is het toepassen van ICT op democratische processen echter net zo min een abstract idee als internet zelf is. Vormen van elektronische democratie zijn doorgedrongen in de democratische praktijk. In dit hoofdstuk staat die praktijk centraal en wordt bekeken welke vormen deze toepassingen aannemen.
Voordat naar die praktijk kan worden gekeken moet eerst verder worden afgebakend wat de theoretische concepten uit het vorige hoofdstuk in de praktijk betekenen. In de volgende paragraaf wordt daarom geoperationaliseerd waar precies in die praktijk naar wordt gekeken. Vervolgens wordt bekeken wat er precies is geïntroduceerd op het gebied van e-democracy in Nederland, waarom dat is gedaan, hoe die introductie is verlopen en door wie die introductie is gestuurd. De antwoorden op deze vragen resulteren in een overzicht van toepassingen van e-democracy in Nederland.
Bij de uitwerking van e-democracy, in de volgende paragraaf, vindt ook afbakening plaats. Binnen het kader van deze scriptie en ter wille van de leesbaarheid is het niet mogelijk om alle vormen van edemocracy en alle potentieel relevante actoren te onderzoeken, als dat überhaupt al mogelijk is.
Democratische processen die gebruik maken van moderne telecommunicatie technieken worden ook wel omschreven als elektronische democratie, in het Engels kortweg e-democracy. Er valt onderscheid te maken tussen e-democracy en e-government. Bij e-democracy gaat het om het toepassen van elektronische technieken in democratische processen, bij e-government gaat het om dergelijke toepassingen op het gebied van overheidsprocessen en diensten. Beiden zijn onder te brengen onder de brede term e-governance. Deze brede term wordt vaak gehanteerd voor het gebruik van ICT in de bestuurlijke, administratieve en politieke praktijk. De term omvat het geheel aan transformatie die de overheid door ICT doormaakt. Deze transformatie is ongetwijfeld nog niet compleet en omdat we niet in de toekomst kunnen kijken blijft e-governance een mogelijk wat vaag begrip, maar het voldoet als overkoepelende benaming voor e-democracy en e-government.
In figuur 3.1 wordt ook een tweede onderscheid duidelijk: e-democracy omvat het elektronisch stemmen (e-voting), maar is veel breder dan dit ene aspect van het democratische proces. Toepassingen van e-government, zoals digitale gemeentebalies, elektronische belastingaangifte en dergelijke, spelen echter geen rol in deze thesis. Het beschreven onderscheid tussen e-democracy en e-government wordt overigens niet altijd zo strikt gehanteerd. Een vaak gebruikte indeling is het onderbrengen van edemocracy onder e-government, zoals bijvoorbeeld de Verenigde Naties doen in het World Public Sector Report (2003). Aangezien het afbakenen van e-democracy belangrijk is voor het helder krijgen van het onderzoeksontwerp, wordt het hier eerder beschreven onderscheid gehanteerd en blijft egovernment verder buiten beschouwing gelaten.
In § 2.3 is de definitie gegeven die Trechsel, Kies, Mendez en Schmitter hanteren in hun onderzoek naar de informatisering van parlementen in Europa. In navolging van deze brede definitie wordt in deze thesis e-democracy gezien als het toepassen van elektronische middelen in democratische processen:
“E-Democracy is the use of information and communications technologies and strategies by ‘democratic sectors’ within the political processes of local communities, states/regions, nations and on the global stage” (Clift,2003).
Deze definitie houdt het onderscheid met e-government in stand, aangezien e-government overheidsprocessen betreft terwijl e-democracy de elektronische informatievoorziening en communicatie omvat tussen burger en politicus, tussen burgers onderling en die voor individuele burgers over politieke onderwerpen. Dit kan gaan om het uitbrengen van een elektronische stem, maar ook om het bijhouden van een log op internet door een politicus om burgers te informeren. Het discussiëren over politiek met politici of door burgers onderling, bijvoorbeeld op online discussiefora, is andere een vorm van e-democracy. Ook het uitzoeken van de persoonlijke voorkeur, door middel van digitale informatie of middels een interactieve stemwijzer, betreft politieke, stemgerelateerde informatie valt dus onder deze brede definitie.
Het is niet de bedoeling om in deze scriptie een uitputtende lijst te geven met toepassingen die in het domein ‘e-democracy’ vallen, daarom spitst deze scriptie zich toe op de toepassingen die aan het stemproces gerelateerd zijn; stemmachines, kiezen op afstand (internetstemmen), stemwijzers, bloggen en websites met politieke informatie.17 Het stemmen met behulp van ICT middelen wordt aangeduid met de term e-voting, de ondersteuning van consultatie en participatie kent verschillende toepassingen en dito termen, zoals e-polling, e-surveys, e-consultation, e-forums, e-referenda, e-petitions, etc. (viWTA,2005:10). Tussen deze varianten van e-democracy zitten nog wat verschillen, ook ten aanzien van het type onderzoek dat ermee geassocieerd kan worden. Stemwijzers, chatten en bloggen zijn in de Nederlandse politiek geen onderwerp van overheidsbeleid en zijn moeilijk structureel te onderzoeken. Om deze reden wordt er in deze thesis het meest aandacht gegeven aan de twee meest toegepaste vormen van e-democracy in het stemproces: stemmachines en internetstemmen. Deze twee vormen van e-voting zijn immers onderwerp van overheidsbeleid. Dat maakt het mogelijk dit beleid en de reacties daarop te analyseren. Aangezien internetstemmen niet zo controversieel is als dat de stemmachines momenteel zijn, zal de analyse in het volgende hoofdstuk het internetstemmen als vorm van e-voting achter zich laten. Maar omdat internetstemmen wel een van de meest ingrijpende toepassingen is in het democratische proces, krijgt het in dit hoofdstuk meer aandacht dan andere vormen van e-democracy. De afbakening in de toepassingen van e-democracy in deze masterthesis is feitelijk het toespitsen op evoting (zie ook figuur 3.1).
De in het conceptueel schema (figuur 1.1) genoemde begrippen ‘vertrouwen in de politieke samenleving’ en ‘voortgang van adoptie van e-democracy’ waren nog erg breed, maar kunnen nu specifieker worden beschreven. De adoptie van e-democracy wordt onderzocht aan de hand van de adoptie van stemmachines in Nederland. In hoofdstuk twee werd een afname in het vertrouwen in de politieke samenleving geconstateerd. De relatie tussen dit vertrouwen en de adoptie van e-democracy is beschreven in de twee tegengestelde visies en wordt onderzocht door te beschrijven wat zich erin afspeelt. Om die beschrijving te kunnen maken wordt gekeken naar de actoren die in de Nederlandse situatie een rol spelen in die relatie. Omdat de opzet van de analyse het reconstrueren van het debat over stemmachines is, moeten zowel gouvernementele actoren als niet-gouvernementele actoren worden meegenomen. Gouvernementele actoren immers omdat zij betrokken zijn bij het formele beleid rondom e-democracy en niet-gouvernementele actoren omdat zij van buiten die formele verantwoordelijkheid een andere visie kunnen uitdragen en gouvernementele actoren kunnen beïnvloeden. Natuurlijk gaat het hier om een hele specifieke groep van niet-gouvernementele actoren, namelijk alleen de direct betrokken actoren, zoals voor-en tegenstanders, belangengroepen en fabrikanten van gerelateerde apparatuur. Het debat dat in hoofdstuk vier wordt beschreven, wordt weergegeven uit bronnen van gouvernementele actoren (zoals kamervragen, beleidsstukken, etc.) en bronnen van niet gouvernementele actoren (zoals acties en reacties van actiegroepen op de stukken van de eerder genoemde actoren). Beiden proberen ook de publieke opinie te bespelen. Aangezien begrippen als ‘gouvernementele’ en ‘non-gouvernementele’ actoren nogal breed zijn, worden die eerst nader afgebakend.
Gouvernementele actoren zoals de autoriteiten (in termen van het systeemmodel) spelen een bijzondere rol; in hoofdstuk twee is gebleken dat zij moeten zorgen voor het behouden van de waarden van de
17 Onder chatten/chatsessies wordt verstaan het communiceren via internet. Bloggen is het bijhouden van een weblog door bijvoorbeeld een politicus. Een weblog is een persoonlijke webstek waarop de eigenaar zijn/haar dagelijkse praktijk beschrijft.
representatieve democratie, veranderingen kunnen hun rol ondermijnen. Daarnaast is het in ons politiek bestel zo geregeld dat juist de autoriteiten (politieke partijen incluis) de beslissingen moeten nemen in het starten van experimenten met -en het adopteren van e-democracy toepassingen. Aangezien de autoriteiten steun nodig hebben om te kunnen functioneren, zullen zij proberen het vertrouwen van de leden van het politieke systeem te maximeren. Op deze manier reageren de autoriteiten op het vertrouwen dat de leden hebben in zowel de techniek als in de instituties daarachter. Hierbij moet worden opgemerkt dat verschillende instituties in de politieke autoriteiten verschillende visies kunnen hebben op de rol die e-voting kan hebben op het genereren van steun.
De gouvernementele actoren zijn actoren die deel uitmaken van de autoriteiten in het systeemmodel uit hoofdstuk twee. De gouvernementele actoren die deel uit maken van dit onderzoek zijn:
De niet-gouvernementele actoren zijn leden van het politieke systeem uit hoofdstuk twee, zij stellen eisen en proberen druk uit te oefenen op de autoriteiten. De niet-gouvernementele actoren die deel uitmaken van dit onderzoek zijn:
Niet gouvernementele actoren stellen eisen aan de gouvernementele actoren in het systeem, deze autoriteiten proberen daarop te reageren. De eisen van de niet-gouvernementele actoren zijn zelf ook weer reacties op beleid (output) van de autoriteiten. Daarmee is het debat tussen de verschillende actoren een mooi voorbeeld van de feedback loop, zoals die in hoofdstuk twee is besproken. Zowel gouvernementele als niet-gouvernementele actoren kunnen de rol van gatekeeper vervullen en streven soms ook actief naar het innemen van een positie als gatekeeper.
§ 3.3 De opkomst van elektronisch stemmen in Nederland
In 1848 werd de Nederlandse grondwet fundamenteel herzien in navolging op een bredere Europese ontwikkeling. Deze grondwetsherziening was een eerste stap in de richting van de democratie zoals wij die nu kennen en hield in dat de Tweede Kamer direct gekozen werd door een deel van de bevolking. Dit kiesrecht was aanvankelijk voorbehouden aan mannen die een bepaald bedrag aan belastingen betaalden, het zogenaamde censuskiesrecht. In een latere grondwetswijziging (1887) mochten ook mannen die tekenen van maatschappelijke welstand of geschiktheid hadden, meestemmen.18 Pas na het aanbreken van de 20e eeuw werd het algemeen kiesrecht geïntroduceerd. Dit kiesrecht kwam in stappen, in 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd en in 1919 volgde het algemeen vrouwenkiesrecht. Vanaf 1919 zijn er nog tal van wijzigingen in de kieswet doorgevoerd, onder andere de opkomstplicht, die tussen 1918 en 1970 gold. Ook is de stemgerechtigde leeftijd in stappen verlaagd van 25 tot 18 jaar, evenals de leeftijdsvereiste om verkozen te kunnen worden.
Momenteel mogen alle Nederlandse staatsburgers die 18 jaar of ouder zijn, stemmen (tenzij middels een rechterlijke uitspraak daartoe uitgesloten). In het verleden werd daarbij altijd gebruik gemaakt van een papieren stembiljet. In 1965 is in de Kieswet de mogelijkheid om elektronisch te stemmen opgenomen (Tweede Kamer,28 664:3:4). De ‘compacte’ elektronische stemmachines van nu waren toen nog niet in beeld, in dat tijdperk namen computers nog complete verdiepingen in beslag (qua omvang). In 1969 kwam men op het idee dat machinaal stemmen makkelijker zou zijn dan het tijdrovende invullen en tellen van de papieren stembiljetten. Onderzoeksinstituut TNO en het bedrijf Samsom begonnen een onderzoek, daarbij kreeg de Nederlandse Apparatenfabriek (Nedap) de opdracht een machine te maken. De eerste machines waren volledig mechanisch en bestonden uit zo’n 30.000 onderdelen (cf. Struijk). De huidig marktleider op het gebied van stemmachines, Nedap/Groenendaal, is in 1982 begonnen met het geautomatiseerd verwerken van stemuitslagen (cf. Nedap/Groenendaal).
In de jaren na 1982 is de automatisering verder doorgedrongen in het stemproces. In de jaren ’90 is de Nederlandse overheid het elektronisch stemmen gaan stimuleren. In die periode zijn steeds meer gemeenten overgestapt op het stemmen middels elektronische stemmachines en zijn dergelijke machines niet meer weg te denken uit het stemproces in Nederland (Kiniry et.al.:1/2). In die jaren ’90 stapte Nedap/Groenendaal zelf in de ‘verkiezingsbranche’ en introduceerde het huidige ‘koffermodel’
18 De achtergrondinformatie over de opkomst van het stemrecht in Nederland is afkomstig van de website Parlement & Politiek, op www.parlement.com
stemmachine dat, eenmaal uitgeklapt, een volledig stemsysteem vormt. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1994 werd er voor het eerst door een meerderheid van de stembureaus (55%) gebruik gemaakt van een elektronische stemmachine.19 Door het toenemende gebruik van stemmachines zijn er ook andere spelers op de markt verschenen, zoals het Belgische Alcatel Bell, dat de RS-Vote stemsoftware introduceerde. Dit softwarepakket is later overgenomen door Sdu uitgevers, dat inmiddels een eigen systeem heeft geïntroduceerd. In 1997 is er door het ministerie van Binnenlandse Zaken een lijst opgesteld waarin formeel de eisen aan stemmachines zijn vastgelegd (MinBZK,1997). Stemmachines en de software die daarin verwerkt is, moeten worden goedgekeurd door een testinstituut. Alleen TNO is momenteel aangewezen als keuringsinstelling voor stemmachines, althans, een onderdeel van TNO. Vroeger was dat TBO-EIB, daarna TNO-ITSEF, dat inmiddels de naam heeft veranderd in Brightsight.
Naast Nedap/Groenendaal speelt op het moment ook Sdu een rol in het voorzien van elektronische stemmiddelen. Sdu uitgevers heeft in het verleden ook de fabrikant van Samsom stemmachines en ELEKTOR software overgenomen en heeft in 2006 een verkiezingsdienst gelanceerd die moet concurreren met de totaaloplossing van Nedap/Groenendaal. Deze totaaloplossing van Sdu heet NewVote en werkt eigenlijk met ‘gewone’ PC’s die speciaal zijn aangepast voor het stemproces (Sdu,2006). In het debuutjaar (2006) maakten in Nederland 25 gemeenten gebruik van dit nieuwe systeem, waaronder de gemeente Amsterdam, waar bij vorige verkiezingen nog met papier en potlood werd gestemd. Het systeem koppelt via een (beveiligde) GPRS verbinding de gegevens na sluiting direct terug naar het gemeentehuis, waar direct een voorlopige uitslag kan worden uitgedraaid. De gebruikte techniek wordt niet door Sdu geopenbaard, maar het systeem is getest door TNO en door het Ministerie van Binnenlandse Zaken goedgekeurd om te worden gebruikt bij verkiezingen (Staatscourant,2006,187:11). Vlak voor de verkiezingen in 2006 is deze goedkeuring echter ingetrokken (MinBZK).
Op moment van schrijven is Nedap/Groenendaal verreweg de grootste speler in Nederland op het gebied van elektronisch stemmen. Volgens eigen cijfers per december 2005 gebruikt 93% van de Nederlandse gemeenten de ISS (Integraal Stem Systeem) software van Nedap/Groenendaal en 90% gebruikt die software in combinatie met stemmachines van diezelfde leverancier (cf. Nedap/Groenendaal). In de gevallen dat gemeenten wel gebruik maken van de ISS software maar niet van stemmachines,moeten de uitslagen handmatig worden geteld en worden ingevoerd in het systeem, dit komt echter nauwelijks meer voor. Naast dit marktaandeel van Nedap/Groenendaal, heeft ook Sdu een deel van de markt in handen (ruim 5%). In 2006 waren nog meer gemeenten van plan gebruik te gaan maken van stemmachines, maar door het intrekken van de goedkeuring voor NewVote zullen een aantal gemeenten toch gebruik gaan maken van het rode potlood.
De volgende stap van elektronisch stemmen is het gebruiken van de ‘normale’ PC’s die veel Nederlanders thuis of op het werk ter beschikking hebben. De grote penetratiegraad van internet in de
19 de Volkskrant, 3-4-1994, p13. De vermoedelijke reden dat juist in 1994 zoveel gemeenten op stemmachines zijn overgestapt is dat er in dat jaar drie verkiezingen plaats hadden (gemeente, Tweede Kamer en Europees Parlement)
huiskamers heeft het technisch mogelijk gemaakt internetstemmen in te voeren. Zover zijn we echter nog niet. Wel wordt van deze techniek gebruik gemaakt om het stemproces te vergemakkelijken voor personen die zich op het moment van stemmen niet naar een stembureau in Nederland kunnen begeven, zoals Nederlanders die in het buitenland werken of wonen. De techniek maakt het mogelijk dat zij gebruik maken van hun internetverbinding om hun stem uit te brengen. In literatuur wordt gesproken over ethische bezwaren tegen het kiezen op afstand, zoals de situatie waarin een van de gezinsleden bepaalt wat het gezin gaat stemmen (dit wordt ook wel family voting genoemd) (Storer et.al.,2003, Krimmer et.al.,2005, Skagestein et.al.,in:Krimmer,2006). Deze ethische bezwaren zijn voor internetstemmen echter niet anders dan bij oudere vormen van kiezen op afstand, zoals bij het stemmen per post.
Internetstemmen in Nederland staat nog in de kinderschoenen. Er zijn een aantal experimentele projecten, waaronder het internetstemmen voor het bestuur van het hoogheemraadschap Rijnland en internetstemmen voor Nederlandse expats, beiden in 2004 gehouden. Dit tweede project is het project Kiezen op Afstand (KOA) en dat vindt zijn vervolg in de verkiezingen voor de Tweede Kamer in november 2006. Dit project bestaat behalve uit internetstemmen voor burgers in het buitenland ook uit een experiment met het stemmen in een willekeurig stemlokaal.
Bij het internetstemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 wordt gebruik gemaakt van het systeem dat voor de Hoogheemraadschapverkiezingen is ontwikkeld. Dat systeem (RIES) bevat belangrijke technische noviteiten. Ironisch genoeg was het de oudste bestuurslaag van Nederland die als eerste met internetstemmen aan de slag is gegaan. De besturen van de waterschappen werden doorgaans gekozen middels een verkiezing per post. Omdat dit een nogal lage ‘opkomst’ met zich mee bracht is men een experiment gestart om de verkiezingen in de regio’s Rijnland en Dommel via internet te houden. Het gebruikte systeem werd RIES gedoopt, dat staat voor Rijnland Internet Election System (Hubbers et.al,2004). Een waterschap valt buiten de Kieswet en kan daarom zelf kiezen op welke manier zij de verkiezingen organiseert. Bij de ontwikkeling van het systeem is TNO gevraagd onderzoek te doen naar de veiligheidsrisico’s van een dergelijk systeem. De conclusies van dit onderzoek waren dat het systeem op een aantal punten risico loopt die zich bij het stemmen per post niet voor doen (voornamelijk in de vorm van virussen op de Pc’s van kiezers), maar dat de meeste risico’s niet groter zijn dan bij het stemmen per post. Een andere conclusie was dat er geen bestaand systeem was dat gebruikt kon worden voor deze verkiezingen, daarom besloot het waterschap zelf een systeem te ontwikkelen (ibid.).
Het bijzondere aan RIES is de transparantie die het systeem biedt door het van tevoren publiek maken van de mogelijke uitkomsten . Hierdoor kan een kiezer achteraf controleren of zijn stem goed is verwerkt. Het werkt als volgt: voor de verkiezingen wordt een referentietabel gepubliceerd waarin de mogelijke stemmen van de kiezers staan, de stemmen zijn per kiezer verschillend. Deze combinaties van kiezerpersoonlijke stemmogelijkheden en bijbehorende kandidaten vormen een zogenaamde hash. Een hash is een soort digitale vingerprint van bepaalde gegevens en levert unieke stemmen per kiezer op. Het omzetten van de gegevens in een hashwaarde resulteert meestal in een wat raar uitziende tekenreeks, die voor een mens niet meer te herleiden zijn tot de originele gegevens. In deze publieke tabel staat tevens de vertaalslag, dus de hash en de naam van de bijbehorende kandidaat. Tijdens het stemproces kunnen kiezers met hun persoonlijke, geheime sleutel één stem uitbrengen. De stemmen van alle kiezers gezamenlijk vormen de post-verkiezingstabel. Uit die post-verkiezingstabel kunnen de originele hashwaarden worden berekend en door de computer worden vertaald naar de uitslag. Omdat voor de verkiezingen de hashwaarden en de bijbehorende kandidaat al bekend zijn gemaakt, kan iedereen dat vertaalproces reproduceren en daarmee controleren. De telling is dus goed te controleren. De geheime sleutel die door een kiezer gebruikt wordt bij het uitbrengen van de stem, is van tevoren door het systeem geprint en per post opgestuurd, net als bij de PIN code van een bankrekening. Het is de bedoeling dat de gebruiker dit papier vernietigt. In tegenstelling tot een PIN code is het niet simpelweg een 4cijferige code maar veel complexer. In de persoonlijke stem is het identificatienummer van de kiezer verwerkt. Van deze persoonlijke stem kun je de hash nemen en terugzoeken in de referentietabel, zo kan de kiezer controleren of zijn stem goed is geregistreerd. Het grote voordeel van dit systeem is dat behalve een computer met internet aansluiting, er niets nodig is om op een behoorlijk veilige manier de stem uit te brengen. Tevens maakt het omzetten van namen en kandidaten in sleutels en hashes het mogelijk deze te printen en de uitgebrachte stemmen per post met hetzelfde systeem te verwerken als de internetstemmen (cf. ibid.).
Het systeem ontving in 2006 de Public Service Award van de Verenigde Naties vanwege de verbeterde transparantie en de verantwoordingsplicht van de publieke sector. Het succes van dit systeem heeft ertoe geleid dat de techniek erachter ook de basis is gaan vormen voor het internetstemmen voor Nederlandse kiesgerechtigden in het buitenland dat bij de Kamerverkiezingen in 2006 zal worden gebruikt.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is in 2000 gestart met het project Kiezen op Afstand (KOA) en willigde daarmee de belofte in die de Nederlandse regering aan het Parlement had gedaan: een onderzoek naar mogelijke ontwikkelingen van het Nederlandse stemsysteem.
Het opzetten van het experiment is gedaan: “om stapsgewijs het stemproces in Nederland te vergemakkelijken door met inzet van informatie-en communicatietechnologie het stemmen minder plaatsafhankelijk te maken. Meer efficiëntie en de politiek dichter bij de burger brengen, zijn daarvan het einddoel” (MinBZK/KOA). De Nederlandse Kieswet is echter vrij expliciet in de toegestane mogelijkheden om te stemmen. Om de wettelijke ruimte te maken voor het project Kiezen op Afstand was dan ook een tijdelijke experimentenwet nodig (Tweede Kamer,28 664:3:1).
De concrete doelstelling luidt: “dat kiesgerechtigden in staat moeten worden gesteld om vanaf een willekeurige Kieslocatie (zijnde elke fysieke locatie van waaruit de door de verkiezingsautoriteit beheerste faciliteiten voor de stemuitbrenging toegankelijk zijn) hun stem uit te brengen voor de keuzemogelijkheden waartoe zij zijn gerechtigd” (HEC,2000:3).
Het experimentele systeem werkte kort gezegd als volgt: kiezers registreren zich per mail met een eigen toegangscode, daarop krijgen zij een stemcode die als logincode fungeert. Tevens ontvangen ze een kandidatenlijst met bij de kandidaten behorende codes. Kandidaten krijgen een groot aantal willekeurige nummers toegekend en aan iedere stemmer wordt een van die nummers gegeven. De kiezer kan dan met de eigen toegangscode inloggen op een website (met een beveiligde verbinding) en de kandidaatcode invoeren. Het systeem toont dan de naam en partij van de kandidaat en de kiezer kan dan de keuze bevestigen. De kiezer krijgt dan een transactiecode waarmee later kan worden gecontroleerd of de keuze correct is opgenomen in de telling (Kiniry et.al:3). Een groot deel van de broncode van dit systeem is door de Nederlandse overheid vrijgegeven (onder de GNU General Public Licence (GPL); een open source licentie) en daarmee is KOA het eerste open source internetstemsysteem ter wereld (cf. OSOSS).
Het project Kiezen op Afstand kent twee experimenten:
1. het stemmen in een willekeurig stemlokaal,
2. het stemmen via internet. Het eerste experiment houdt in dat kiezers binnen hun gemeente hun stem kunnen uitbrengen in een stemlokaal naar keuze. Het tweede experiment houdt in dat Nederlandse kiezers in het buitenland via internet hun stem kunnen uitbrengen. Deze experimenten zijn gehouden bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004. Het stemmen in een willekeurig stemlokaal is herhaald bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2006 en beide experimenten zijn positief geëvalueerd (cf. ‘Kiezen uit het buitenland’). Het stemmen in een willekeurig stemlokaal is voornamelijk een logistieke operatie, maar het stemmen gebeurt uiteindelijk via dezelfde stemmachine als die kiezers gebruiken buiten het experiment. Voor de invloed van ICT op het democratische proces als uitgangspunt, is internetstemmen interessanter dan het stemmen in een willekeurig stemlokaal.
Het stemmen via internet richt zich, zoals gezegd, op Nederlandse kiezers die in het buitenland wonen of werken. Deze kiezers kunnen van tevoren aangeven of zij via internet of per brief willen stemmen. Bij het experiment bij de Europese verkiezingen in 2004 hebben ruim 7000 mensen aangegeven via internet of per telefoon te willen stemmen. Het stemmen per telefoon wordt door de gebruikers zelf gezien als “terugvaloptie”, als het stemmen via internet om een of andere reden niet lukt, (Rapport MinBZK,2004). De kiezers die aan het experiment hebben deelgenomen, zijn voor het overgrote deel positief over het experiment en geven aan dat zij menen dat het kiezen via internet de opkomst zal vergroten (ibid.,deel:evaluatie kiezers:21). In de aanbevelingen van de evaluatie wordt ertoe opgeroepen de kiezers in het buitenland opnieuw de mogelijkheid te bieden te stemmen via internet en het niet bij dit ene experiment te laten. Wel wordt daarbij gewezen op de relatief hoge kosten van het stemmen via internet, reductie van deze kosten zou dan ook welkom zijn (ibid.:34). In de brief die de voortgangsrapportage begeleidt, stelt de voorzitter van de evaluatiecommissie erop te vertrouwen dat de minister “de kans [zal] zien de komende jaren verder te gaan met experimenten die het stemproces kunnen vernieuwen” (ibid.,deel:begeleidend schrijven:2). Het experiment vindt dan ook navolging bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 2006. Voor de verkiezingen van de Tweede Kamer in november 2006 worden enkele aanbevelingen uit de verschillende evaluaties van het experiment in 2004 ter harte genomen. Zo wordt onder andere de transparantie verbeterd door kiezers de mogelijkheid te geven hun stem te controleren. Dit gebeurt onder andere door de gebruikte techniek uit te leggen via de website die wordt gebruikt voor het stemmen (http://www.kiezenuithetbuitenland.nl/). De techniek die zal worden gebruikt bij de verkiezingen in november 2006 is gebaseerd op het eerder beschreven RIES stemsysteem. Een andere verbetering is de authenticatieprocedure, die kiezersvriendelijker zal zijn. Het telefoonstemmen wordt bij het komende experiment niet meer aangeboden (MinBZK/KOA). Dit nieuwe experiment zal opnieuw grondig worden geëvalueerd en de resultaten daarvan zullen meegenomen worden in de discussie over het invoeren van internetstemmen binnen Nederland. Ook vragen met betrekking tot de stemvrijheid (onder andere het eerdergenoemde family voting) zullen onderdeel van deze discussie moeten zijn (ibid.).
Het project Kiezen op Afstand is in eerste instantie bedacht om het stemproces te vergemakkelijken, niet alleen voor Nederlanders in het buitenland maar ook voor mensen die binnen Nederland hun stem uitbrengen. Internetstemmen zou bijvoorbeeld ook een uitkomst zijn voor mensen die vanwege hun werk belemmerd worden te gaan stemmen omdat ze fysiek aanwezig moeten zijn bij een stemmachine. Het experiment is in eerste instantie gericht op Nederlanders in het buitenland om de techniek eerst op een ‘real-life’ stemsituatie met beperkte omvang toe te passen. De reden achter het project Kiezen op Afstand is dus in essentie non-technisch (cf. Kiniry et.al.). Maar, met tienduizenden virussen, met ‘spyware’, ‘malware’, ‘hackers’ en andere bedreigingen is het internet niet bepaald de meest veilige plek voor belangrijke informatiestromen zoals stemgegevens. Daarom is er bij KOA ook veel aandacht voor het technisch aspect. Zoals vermeld is de broncode van het systeem grotendeels publiek gemaakt en daardoor zijn tal van experts in staat geweest het systeem te controleren. Ook binnen de officiële rapportages worden de technische risico’s zeer serieus genomen (Rapport MinBZK,deel: risico analyse). Een externe beveiligingevaluatie is uitgevoerd door de Security of Systems groep, die de tellingen hebben gecontroleerd en in het systeem hebben proberen in te breken. De testresultaten waren positief, de software draaide goed en werd voldoende beveiligd tegen bedreigingen van buitenaf. Het doel van de test, het hacken van de software, is dan ook niet behaald (Kiniry et.al.:5). Wel was het systeem vrij gemakkelijk te verstoren (via een denial-of-service aanval) maar dergelijke problemen zijn praktisch niet te voorkomen.
§ 3.4 Andere toepassingen van elektronische democratie
Stemmachines en internetstemmen zijn natuurlijk niet de enige uitwerkingen van informatie-en communicatietechnologie op het democratische proces. In deze paragraaf komen een aantal andere ontwikkelingen kort aan bod, die weliswaar minder van doen hebben met het feitelijke stemproces maar die wel nieuwe vormen schetsen van communicatie tussen politicus en burger. Deze ontwikkelingen worden hier kort besproken omdat gekozen is om het accent te leggen op stemmachines. Zowel burger als politicus hebben de weg naar internet inmiddels gevonden en beiden zien er mogelijkheden om invloed uit te oefenen of steun te winnen. Van een drietal mogelijkheden worden hier voorbeelden besproken: panels, kieswijzers en websites. Deze laatste categorie omvat persoonlijke pagina’s, politieke websites, weblogs en profielensites.
De burger die graag zijn mening wil laten horen, hoeft hiervoor tegenwoordig niet meer naar zaaltjes voor een treffen met politici of te wachten op verkiezingen. Iedere dag kan die burger namelijk mee doen aan een of andere vragenlijst van opiniepeilers, websites, televisieprogramma’s en allerhande overig ‘onderzoek’. Dergelijke panels werken met een beperkt aantal respondenten, dat geeft het gevoel dat je stem zwaarder weegt dan bij echte verkiezingen. Tevens kan men, in slechts vijf minuten tijd, vanachter de eigen PC, doorgeven hoe het land er volgens die persoon voor staat. Dit soort van panels is ontstaan uit de kleine peilingen op tal van websites over tal van onderwerpen. Het grootste nadeel daaraan is dat in deze peilingen alleen mensen worden meegenomen die toegang hebben tot die site, die er ook daadwerkelijk naar toe gaan en de moeite willen nemen antwoord te geven op een paar vragen. Men selecteert zichzelf dus als respondent, met als gevolg dat de steekproeftrekking volstrekt niet statistisch verantwoord is en de resultaten niet te generaliseren zijn. Deze peilingen zijn desondanks erg populair geworden en tal van programma’s, ook met een goede journalistieke reputatie, gebruiken tegenwoordig eigen panels om de mening van ‘het volk’ in kaart te brengen (bijvoorbeeld het EénVandaag opiniepanel).
Een andere vorm zijn de wat serieuzere panels, waarin serieuzer vooral betekent dat ze wat langer lopen en meer ruimte voor discussie bieden. Daardoor inventariseer je niet enkel instant-meningen, maar ook iets van de overwegingen daarachter. Een goed voorbeeld van zo’n panel is de Nationale Conventie (www.nationaleconventie.nl), een groep personen die door de minister zijn benoemd. Deze personen moeten een voorstel doen voor veranderingen aan de inrichting van het nationale politieke bestel. Op de website van deze conventie worden stellingen voorgelegd waarop burgers kunnen reageren en met elkaar in discussie gaan. De follow-up van deze Nationale Conventie is het openbaar platform Onze Democratie (www.onzedemocratie.nl). Op de website van het platform wordt nieuws en discussie geboden over de democratie in Nederland. Zoals met ieder forum op internet is hiervan het nadeel dat, net als bij de opinie-panels die eerder zijn besproken, voornamelijk de mensen die erg graag hun mening kwijt willen deelnemen aan zo’n forum. Om een betere representativiteit te krijgen moet zo’n panel zorgvuldig worden samengesteld, zoals bijvoorbeeld is gebeurd bij het Burgerforum Kiesstelsel (waarvan de online exponent is te vinden op www.burgerforumkiesstelsel.nl).
Een van de meest opvallende en meest populaire toepassingen van ICT op stemgerelateerde processen is de kieswijzer. Kieswijzer is slechts een van de vele namen voor een online programma dat op basis van een aantal vragen aangeeft welke partijen het dichtst bij de mening van de gebruiker zitten. Andere termen zijn: stemwijzer, kieshulp of stemhulp. De meeste voorkomende Engelse termen zijn vote matching en smart voting. In Nederland is verreweg de bekendste variant de StemWijzer. Deze StemWijzer is een productie van het Instituut van Publiek en Politiek (IPP), een landelijke, nietpartijgebonden organisatie die zich ten doel stelt politieke en maatschappelijke participatie te bevorderen (cf. IPP). De StemWijzer stelt de gebruiker een dertigtal vragen waarop geantwoord kan worden met ‘eens’, ‘oneens’ of ‘weet niet’. Na afloop van de vragenreeks kan de gebruiker aangeven welke stellingen extra gewicht moeten krijgen in het resultaat. Vervolgens wordt door het programma bekeken welke overeenkomsten de gegeven antwoorden hebben met de antwoorden die de politieke partijen op diezelfde vragen hebben gegeven. Aan de hand van die vergelijking krijgt de gebruiker een ‘stemadvies’ met een overzicht hoeveel samenhang er is tussen de gegeven antwoorden en de standpunten van de politieke partijen. De StemWijzer is sinds haar introductie in 1989 al bij verschillende verkiezingen gebruikt, onder andere bij de laatste Tweede Kamer verkiezingen, gemeenteraadsverkiezingen en waterschaps-verkiezingen. De StemWijzer voor de verkiezingen van de Tweede Kamer in 2006 is populairder dan ooit; één week na de lancering werden al één miljoen stemadviezen uitgebracht, dat zijn er meer dan bij de vorige versie in de eerste maand zijn verstrekt (ibid.).
Maar de StemWijzer heeft sinds oktober 2006 een serieuze concurrent: kieskompas, een website van dagblad Trouw en de Vrije Universiteit Amsterdam. De opstellers van deze website vinden dat de StemWijzer zich te veel op enkel de verkiezingsprogramma’s richt. Volgens politicoloog Krouwel, tevens betrokken bij de ontwikkeling van kieskompas houdt de StemWijzer onvoldoende rekening met de complexiteit van de politiek. Volgens Krouwel is er geen poging gedaan het concept van de StemWijzer te verbeteren en voorziet kieskompas in een uitgebreider steminzicht (Trouw,26 oktober 2006).
Kieskompas (www.kieskompas.nl) voorziet weliswaar in vragen waarin de gebruiker de waardering voor een politicus kan uitspreken en richt zich niet enkel op de punten die centraal staan in verkiezingsprogramma’s, maar deelt de meeste zwakke punten van de StemWijzer. Beiden gaan namelijk uit van het stellen van een korte vraag waarop de gebruiker kan aangeven in hoeverre men het hiermee eens is. Het stellen van korte vragen, zonder achtergrondinformatie of de complexe afwegingen mee te nemen (de keuze voor een bepaald beleid kan immers inhouden dat ander beleid onmogelijk of onbetaalbaar wordt), geeft een simplistisch beeld van politieke problemen. Kieskompas geeft dan ook eigenlijk geen oplossing voor het probleem dat de “gecompliceerde werkelijkheid van de politiek” nu eenmaal moeilijk te vangen is in een enkele zin (citaat:Krouwel,in:ibid.). Om een goede mening over een politiek vraagstuk te vormen, moeten mensen worden ingelicht over de achtergronden en de afwegingen die gepaard gaan bij een politieke beslissing over een bepaald onderwerp (cf. Fishkin,1997). Bij voorkeur moet er ook ruimte zijn voor het verwerken van die informatie en het uitwisselen van meningen tussen burgers (ibid.). Het eerder genoemde burgerforum tracht dat in de praktijk te doen, de online versie voldoet echter niet aan die vereisten. Een ander initiatief waarbij gebruikers gedwongen worden een keuze te maken tussen het één of het ander, is de website www.21minuten.nl, een langlopende vragenlijst waarin Nederlanders aangeven wat zij vinden dat er moet gebeuren in Nederland. Overigens kleven ook hier de bezwaren aan dat mensen zelf beslissen of ze mee doen (self-selecting respondents), er is ook sprake van een relatief korte vragenlijst waar complexe vraagstukken in enkele zinnen moeten worden voorgelegd en waar vervolgens het scala aan mogelijke antwoorden gereduceerd wordt tot dichotome antwoordcategorieën.
Het concept van de StemWijzer heeft navolging gevonden in verschillende andere landen, zoals in Duitsland (Wahl-O-Mat) en Zwitserland (Politarena). Ook is er een Europese variant gelanceerd bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004: VoteMatch (cf. www.votematch.net).
In de inleiding van deze paragraaf is al aangeven dat er verschillende soorten websites zijn waarop politici en politiek geëngageerde burgers hun standpunten uitdragen. Alvorens in te gaan op twee specifieke typen websites, wordt eerst een breder type uitgewerkt. Dit betreft de websites over politieke onderwerpen, een aantal daarvan zijn te vinden bij de hiervoor genoemde online forums, zoals de websites van Onze Democratie en de Nationale Conventie. Ook hebben steeds meer journalistieke bronnen, zoals kranten of televisieprogramma’s een politieke themapagina op hun site. Deze websites bieden het laatste nieuws op politiek gebied, maar voorzien vaak ook in achtergrondinformatie. Naast websites over politiek, zijn er ook websites door de politiek. Zo heeft praktische iedere politieke partij tegenwoordig wel een eigen website waarop zij zichzelf voorstellen en aangeven wat zij doen (cf. Van Zuijlen,1997). Ook dienen dergelijke websites als platform om standpunten en verkiezingsprogramma’s uit te dragen. Een burger die op zoek is naar informatie over de handelingen van een bepaalde politieke partij, lid wil worden van zo’n partij of gewoon geïnteresseerd is, zal steeds vaker eerst op die website kijken. Politieke partijen weten dat en besteden aandacht aan hun website. Over het algemeen genomen scoort Nederland in vergelijkend opzicht echter niet al te hoog, in een onderzoek van een aantal Europese wetenschappers lag de E-LI (E-Legislature Index) van Nederland een stuk onder het gemiddelde (Trechsel et.al,2003:14). Inmiddels zal deze score wel verbeterd zijn, aangezien er in de afgelopen jaren tal van verbeteringen zijn aangebracht. De website van het parlement zelf bijvoorbeeld biedt tegenwoordig een schat aan informatie over actuele politieke zaken. Tevens is via deze website (www.tweedekamer.nl) het debat in de Kamer live te volgen. Niet alleen de Tweede Kamer wordt op internet vertegenwoordigd, ook de Eerste Kamer is via een verenigd portaal (www.parlement.nl) bereikbaar.
Een ander fenomeen dat de laatste jaren sterk is komen opzetten is de weblog. Een weblog is een persoonlijke website met dagboekachtig commentaar op gebeurtenissen met vaak links naar artikelen, andere websites en vaak ook naar andere weblogs. Er zijn veel soorten weblogs, variërend van puur persoonlijk tot uitgesproken politiek. Een combinatie daartussen bestaat in de weblogs van de politici zelf. Vaak maken deze weblogs onderdeel uit van de website van de partij waartoe de weblogger behoort. Het is overigens niet de bedoeling om hier een overzicht te geven van de weblogs van alle politici, dat worden er immers steeds meer. Weblogs geven de politici een plek op het internet waar zij hun mening en standpunten kunnen uitdragen over onderwerpen die zij zelf kiezen. Geïnteresseerden kunnen daar meestal op reageren. Naast politieke standpunten grijpen de auteurs de weblogs soms ook aan om hun persoonlijke kant te laten zien. Weblogs geven de politicus de mogelijkheid om de burgers meer te laten zien van de persoon achter die politicus en directer en informeler met de kiezer te communiceren.
Veel weblogs worden tegenwoordig ondergebracht onder de populaire profielensite Hyves (www.hyves.nl). Hyves komt van hive, het Engelse woord voor bijenkorf. Op Hyves kunnen mensen een persoonlijk profiel aanmaken, foto’s plaatsen, een weblog bijhouden en contact zoeken met vrienden. Sinds Wouter Bos begin 2006 een Hyves pagina aanmaakte, zijn veel politici hem gevolgd. Op moment van schrijven zijn er ruim 90 politici op Hyves te vinden, die gezamenlijk tien politieke partijen vertegenwoordigen (cf. Hyverkiezingen). Vanwege de grote populatie aan ‘hyvende’ politici heeft Hyves een aparte pagina ingericht voor de Kamerverkiezingen in 2006. Het vermoedelijke doel van deze politici is het bereiken van de vele jongeren die actief zijn op de profielensite.
De genoemde ontwikkelingen worden hier niet verder uitgewerkt omdat het onderzoek zich zal richten op de ontwikkelingen rondom stemmachines. De beschreven ontwikkelingen vormen de context waarin ontwikkelingen van e-democracy in Nederland staan. Wel wordt duidelijk dat traditionele gatekeepers hun weg naar de nieuwe media inmiddels hebben gevonden. De populariteit van stemwijzers en andere interactieve, politiek gerelateerde, elektronische middelen geeft aan dat de burger deze middelen aangrijpt om meer te participeren in de politiek. Het getuigt van politieke belangstelling en burgers gaan middels die hulpmiddelen met de politiek bezig. Deze vergrote participatie leidt echter niet tot meer invloed op de besluitvoering, die wordt nog steeds door de traditionele autoriteiten en gatekeepers in het politieke systeem ontwikkeld en uitgevoerd.
In dit hoofdstuk is gekeken naar verschillende e-democracy toepassingen. De nadruk wordt in deze thesis gelegd op een specifieke toepassing van e-democracy, namelijk e-voting in de vorm van stemmachines. In het volgende hoofdstuk wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkelingen in Nederland op dat gebied. In de analyse van het debat over dit onderwerp staat centraal welke relatie tussen e-democracy en vertrouwen van de burger in de politiek in de praktijk kan worden gevonden.
"It's not the voting that's democracy, it's the counting."
-Tom Stoppard, Jumpers (1972) act 1
§ 4.1 Inleiding tot de analyse
Nu het probleem beschreven is, theoretisch uitgewerkt en er een algemene verkenning van e-democracy in Nederland heeft plaatsgevonden, kan verder worden ingegaan op het specifieke debat rondom stemmachines in Nederland met daarbij oog voor de ontwikkelingen in andere landen.
Centraal in deze thesis staat of burgers vertrouwen kunnen hebben in een democratisch proces dat met technische middelen wordt ondersteund. Dat wil zeggen of burgers met een gerust gevoel gebruik maken van hun democratisch recht en erop vertrouwen dat ze het organisatorische aspect van het democratische proces aan anderen kunnen over laten. Deze thesis vormt dus niet een onderzoek naar de betrouwbaarheid van toepassingen van e-democracy. Hoewel dit een uiterst belangrijk vraagstuk is, zeker met de steeds verdergaande toepassing van ICT in de democratie, is het in eerste instantie een technische vraag. In deze thesis staat niet centraal of e-democracy, in technisch opzicht betrouwbaar is maar of de burgers het vertrouwen. Een onderzoek naar betrouwbaarheid is een technisch onderzoek, een onderzoek naar vertrouwen is politicologisch. Maar deze thesis is ook geen onderzoek naar politiek vertrouwen op zichzelf. Er zijn tal van studies waarin wordt aangetoond dat politiek vertrouwen in westerse landen dalende is (zie bijv. Van Gunsteren et.al,1994 voor Nederland en Nye et.al,1997 voor de V.S.). Hoe dat politiek vertrouwen fluctueert en waarvan het afhankelijk is, wordt besproken in diverse wetenschappelijke literatuur. In deze scriptie wordt geen graadmeter van politiek vertrouwen opgesteld om dat begrip te meten, noch wordt er gewerkt met gegevens uit bestaande graadmeters. Het gaat in dit onderzoek om de relatie tussen dit politiek vertrouwen en de toepassing van e-democracy. Deze relatie wordt bekeken in het debat over stemmachines door eerst de achtergronden van dat debat te beschrijven en vervolgens het debat zelf te bekijken en te analyseren.
§ 4.2 Stemmachines, de opkomst van een debat
Het debat over stemmachines is zo interessant omdat bij de invoering van die machines geen enkele sprake was van enige discussie. De techniek voor stemmachines kwam op en werd ingevoerd, ‘no questions asked’. Een decennium later zijn stemmachines onderwerp geworden van grote controverse, zowel in Nederland als in andere landen. Hoewel men er vroeger van overtuigd was dat stemmachines prima werkten, lijkt men nu deze techniek niet meer te vertrouwen. Daarom vormt het debat over stemmachines een prima uitgangspunt om de discussie over de impact van e-democracy op de kloof tussen burger en politiek te analyseren. In deze paragraaf komt de context van het huidige debat ter sprake. In de volgende paragraaf wordt het hele debat in Nederland beschreven en geanalyseerd.
In § 3.3 is de opkomst van stemmachines in Nederland al kort beschreven. Na de wettelijke mogelijkheid in 1965 zijn mechanische stemmachines geïntroduceerd. In 1982 is men begonnen met het geautomatiseerd verwerken van de stemuitslagen en in de jaren daarna is de automatisering verder doorgedrongen in het stemproces. In de jaren ’90 is de Nederlandse overheid het elektronisch stemmen gaan stimuleren. Dit elektronisch stemmen was snel geaccepteerd door de Nederlandse burger, men was al gewend aan het gebruik van techniek in het stemproces door de mechanische machines (Kiniry et.al.:2). Nederland liep dan ook snel voorop in het gebruik van stemmachines bij verkiezingen. In de beginjaren ’90 zijn steeds meer gemeenten overgestapt op het stemmen middels elektronische stemmachines en zijn dergelijke machines niet meer weg te denken in het stemproces in Nederland (ibid.:1/2). Het koffermodel stemmachine, waar het overgrote deel van de Nederlanders tegenwoordig hun stem op uitbrengt, is door Nedap/Groenendaal in diezelfde periode geïntroduceerd. Nedap/Groenendaal is in feite een joint-venture van Nedap (leverancier van stemmachines) en Jan Groenendaal. Nedap levert zowel de stemmachines als de ondersteuning daarop. Groenendaal is de ontwikkelaar van de software. Gezamenlijk ondersteunen zij het stemproces waar gebruik wordt gemaakt van hun systemen. Tevens levert Nedap/Groenendaal met het Integraal Stem Systeem (ISS) een totaaloplossing die het gehele stemproces van stembureau tot Centraal stembureau automatiseert.
Nedap levert stemmachines, maar de verkiezingen worden uitgevoerd door gemeenten. Voor de verkiezingen worden de stemgeheugens geprogrammeerd met de partijlijsten, tevens worden de verkiezingslijsten dan gedrukt en op het stembord geplaatst. Bij het uitbrengen van een stem, wordt deze in viervoud weggeschreven doordat het stemgeheugen bestaat uit twee geheugenchips die elk via een odd/even principe de uitgebrachte stemmen opslaan. Na sluiting van de stembusgang wordt door de voorzitter van het stembureau een papieren uitdraai gemaakt van de uitslag van de stemmachine. Op deze uitdraai is te vinden: het totaal aantal uitgebrachte stemmen, het aantal blanco stemmen, voor alle partijen het totaal aantal op die partij uitgebrachte stemmen en voor elke kandidaat het aantal op die kandidaat uitgebrachte stemmen. Deze gegevens voorzien in enkele eenvoudige controlemiddelen (de som van alle stemmen op alle partijen moet gelijk zijn aan de som van het aantal uitgebrachte stemmen en de blanco stemmen, en de som van de stemmen op de kandidaten van één partij moet gelijk zijn aan het aantal stemmen op die partij). Tevens wordt het stemgeheugen in een verzegelde envelop naar het gemeentehuis gebracht om daar te worden ingelezen zodat de stemtotalen van de gemeente kunnen worden berekend. De papieren uitslag wordt bevestigd aan het proces-verbaal en zo vormt de papieren route een controle op de elektronische (TK,1453,2004).
Door het toenemende gebruik van stemmachines ontstond de noodzaak om voorwaarden voor het gebruik van stemmachines vast te stellen. Deze voorwaarden zijn in 1997 vastgelegd in de ‘regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines’ (MinBZK,1997). TNO dochter Brightsight test of stemmachines voldoen aan deze voorwaarden maar verder blijft de techniek gesloten. Zowel de broncode van de software van stemmachines als de testresultaten worden niet geopenbaard (Kiniry et.al.:2). In appendix C zijn de stemmachines genoemd die getoetst en goedgekeurd zijn om te worden gebruikt in het verkiezingsproces in Nederland.
In diezelfde periode verschenen ook andere leveranciers van stemmachines. Zoals Sdu, dat in 1997 het bedrijf VUGA Systemen overnam. Dat bedrijf hield zich op dat moment bezig met stemmachines (de Samsom stemmachine en de ELEKTOR software). Daarnaast bood Sdu de ‘RS Vote’ stemsoftware aan. Deze software wordt geïnstalleerd op een ‘gewone’ personal computer en vormt daarmee (en nog een touchscreen) de stem-PC (cf. HEC,1999).
Computers waren in die jaren nog bezig met de verovering van de huiskamer en de technische mogelijkheden rondom het elektronisch stemmen waren tekenen van deze vooruitgang. De grootschalige introductie van de stemmachines vond dus plaats voordat de internetrevolutie ten volle uitbarstte. Pas rond de eeuwwisseling werd de thuisgebruiker geconfronteerd met de gevaren die internet met zich mee bracht en met de beveiligingsrisico’s van computers. Computerbeveiliging werd pas jaren na de grootschalige invoer van stemmachines een issue onder de bevolking in Nederland en dat blijkt ook uit het gebrek aan beveiligingseisen die aan stemmachines gesteld werden (MinBZK,1997). De eerste klachten over de veiligheid en controleerbaarheid van het stemmen met stemmachines kwamen in 2000, in de Verenigde Staten.
In het grootste deel van de geschiedenis van democratisch Amerika, is gebruik gemaakt van papieren stembiljetten. Maar door toenemende urbanisatie duurde het steeds langer om alle stemmen te tellen. De Industriële Revolutie voorzag in mogelijkheden om het stemproces te mechaniseren (cf. Brace,2004). De eerste ‘mechanical lever machines’ stammen van rond 1890, daarna werden ze steeds vaker in stemprocessen gebruikt.20 Vanwege de hoge kosten van dit apparaat werd het langzamerhand vervangen door stemsystemen die met ponskaarten werkten (introductie in 1964). Vooral grotere districten werkten met dat systeem, terwijl kleinere districten manieren ontwikkelden om de ‘traditionele’ stembiljetten sneller te verwerken, zoals de ontwikkeling van optische scanapparaten, in de jaren ’70 van de 20e eeuw. Met de opkomst van computers en de noodzaak om de verouderde mechanische machines te vervangen, ontstond de vraag naar elektronische stemsystemen. De eerste systemen leken erg op de mechanische systemen, met knoppen in plaats van hendels, maar nieuwere systemen werkten met touch-screen panelen en toetseninvoer. Stemmen werden direct, digitaal opgeslagen (Brace,2004:1/2). In deze periode, waarin computers deel gingen uitmaken van het Amerikaanse stemproces, veroverden de computers ook de Amerikaanse huiskamers. Hoewel er nog veel Amerikanen zijn die geen gebruik maken van elektronisch stemmen, worden steeds meer oudere stemsystemen vervangen door nieuwere elektronische machines, omdat daar geld voor beschikbaar kwam door de Help America Vote Act van 2002 (HAVA,2002). In de periode dat elektronisch stemmen aan toepassing won, zijn critici vragen gaan stellen over de betrouwbaarheid van de stemcomputers. In tal van onderzoeken (vooral geïnitieerd door organisaties die kritisch tegenover stemmachines staan) wordt aangetoond dat er serieuze beveiligingsproblemen zijn met een aantal van de Amerikaanse stemcomputers (zie bijv. Kohno et.al,2004). Veel critici roepen op tot grotere controleerbaarheid, bijvoorbeeld door een Voter-Verified Audit Trail (VVAT, soms ook Voter-Verified Paper Record – VVPR genoemd) in te voeren.
20 Volgens Brace (2004:1) is het, in het licht van de hedendaagse controverse, een interessant gegeven dat in al die jaren dat dit systeem is gebruikt, zowel stemmers als officials geen fysieke stembiljetten meer inleverden respectievelijk telden.
Zo’n audit trail (of paper trail) werkt als volgt: “the voting system prints a paper ballot containing the selections made on the computer. This ballot is then examined for correctness by the voter through a glass or screen, and deposited mechanically into a ballot box, eliminating the chance of accidental removal from the premises. If, for some reason, the paper does not match the intended choices on the computer, a poll worker can be shown the problem, the ballot can be voided, and another opportunity to vote provided” (Mercuri,2001, in: Oostveen & Besselaar,2004).
De roep om controleerbaarheid klinkt iedere keer luider als blijkt: dat kwaadwillende de stemcomputers zo kunnen manipuleren dat de stemming gesloten kan worden voordat alle stemmen zijn uitgebracht; dat kiezers meerdere keren kunnen stemmen en dat tal van andere manipulaties kunnen worden toegepast. Recent is nog olie op het vuur gegooid door een onderzoek van Princeton University uit 2006. Daarin blijkt dat een van de meest gebruikte stemmachines van Diebold gevoelig is voor zeer serieuze aanvallen. Het onderzoek laat zien hoe een kwaadwillend persoon met voldoende kennis van zake, binnen één minuut software in de stemmachines kan invoeren die de uitkomst omzet in de door de hacker gewilde uitkomst. Dat ‘virus’ kan zich zelfs verspreiden over verschillende stemmachines en zo de totaaluitkomst veranderen (Feldman et.al.,2006).21
Het wantrouwen wordt vergroot door de werking van het Amerikaanse politieke systeem. Het kiesstelsel en het presidentieel systeem zorgen voor een tweepartijen stelsel in de Verenigde Staten. Deze tweedeling in het politieke landschap zorgt ook voor een tweedeling in de samenleving. Het is niet ongewoon in de VS om de voorkeur voor de ene of andere partij uit te spreken, ook niet voor kranten of organisaties. Een belangenverstrengeling lijkt zich echter voor te doen als ook de ontwikkelaars en fabrikanten van stemmachines hun voorkeur publiek uitspreken. Zo is stemcomputerfabrikant Diebold een geldschieter van de Republikeinse partij, waardoor het product van de fabrikant niet alleen wordt aangeduid als ‘voting machine’, maar ook als ‘political machine’.22 Dergelijke aantijgingen zijn niet bewezen, maar het aannemelijk maken hiervan slaat een forse deuk in het vertrouwen van burgers (Filho et.al.:93,in:Krimmer,2006). Zo werd een voormalig CEO van stemmachinefabrikant ES&S verkozen tot senator voor de staat Nebraska. Het was de eerste Republikeinse senator in 24 jaar voor die staat, terwijl hij vlak daarvoor de stemmachines aan deze staat had geleverd. Zelfs ‘zwarte’ wijken, waar nog nooit een Republikein was gekozen, stemden voor deze man. Het is belangrijk hier op te merken dat deze aantijgingen niet voortkomen uit wetenschappelijk verantwoord onderzoek, maar onderdeel zijn van een lange lijst ‘bewijsstukken’ die opiniemakers aandragen om ‘aan te tonen’ dat fabrikanten van stemmachines hun product gebruiken om politieke macht uit te oefenen. Of dit uiteindelijk waar is of niet, de schijn alleen al brengt het vertrouwen in de stemcomputers een flinke beschadiging toe.23
Deze kritiek op Amerikaanse stemmachines hebben de opkomst van stemmachines in westerse democratieën niet weten te stuiten. Veel Europese landen overwegen de aanschaf van stemmachines en
21 Voor het verspreiden van het virus moeten stemcomputers wel in verbinding met elkaar staan via een netwerk, wat bij de Nederlandse stemmachines niet het geval is.22 http://www.motherjones.com/commentary/columns/2004/03/03_200.html 23 Voor een met 90 ‘bronnen’ onderbouwd betoog dat de lokale en Presidentsverkiezingen van 2004 zijn beïnvloed door deze politieke belangen van stemmachine fabrikanten, zie het wiki artikel op: http://en.wikipedia.org/wiki/2004_United_States_presidential_election_controversy,_voting_machines
de Nederlandse leverancier Nedap is in verschillende landen een serieuze kandidaat. Kritische rapporten in die landen over deze apparatuur hebben echter de discussie ook in Nederland op gang gebracht. Vooral de Ierse casus van 2002, kan gezien worden als startpunt voor de discussie in Nederland.
Het debat in Ierland is stukken rustiger verlopen dat het Amerikaanse maar is relevanter voor het debat in Nederland. De historie van de Ierse democratie laten we hier achterwege, we starten in 2002. De Ierse regering was van plan stemmachines in te voeren in het Ierse verkiezingsproces en had daarvoor het oog laten vallen op de Nederlandse fabrikant Nedap/Groenendaal. Er was aanvankelijk weinig weerstand en er werd besloten tot de aanschaf van duizenden stemmachines. Toen de machines er eenmaal waren, deden verschillende commissies rapporten verschijnen over de betrouwbaarheid van de aangekochte machines.24 Rode draad in deze rapporten was dat het systeem onvoldoende beveiligd en onvoldoende transparant was. In de rapporten stonden verschillende aanbevelingen die de kern van het systeem raakten. Ook werd aangeraden eerst te onderzoeken of er wel voldoende vertrouwen in het elektronisch stemsysteem was bij de Ierse bevolking. Kortom: ‘er zitten nog zoveel haken en ogen aan het systeem dat invoer niet verstandig is’ (Zerflow,2002 en CEV,2004). Als resultaat van deze kritiek zijn de stemmachines in opslag gezet en is er inmiddels besloten dat de machines ook niet gebruikt zullen worden bij de komende algemene verkiezingen in 2007.
Doordat de fabrikant van deze stemmachines ook de leverancier is van de Nederlandse stemmachines, was het wachten op de weerslag van deze Ierse ontwikkelingen in Nederland. Die kwam in 2004 met Kamervragen van de Kamerleden Haverkamp en Spies aan de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties. In antwoord op die vragen stelt minister De Graaf dat het Ierse kiesstelsel anders is en dat de meeste punten in het rapport van Zerflow (2002) betrekking hebben op situaties die voor Ierland specifiek zijn. Daarbij merkt hij op dat Nederland al jaren gebruik maakt van stemmachines en dat daarbij altijd veel aandacht voor de beveiliging is geweest. Kortom: de opmerkingen van het onderzoeksrapport hebben geen gevolgen voor de situatie in Nederland (TK,1453,2004). Later werd door de opvolger van De Graaf, minister Pechtold, nog eens bevestigd dat het stemmen met een stemmachine absoluut veilig is. De discussie was echter ingezet en er kwamen steeds meer beweringen van het tegenovergestelde. Aangezien het stemproces het hart van de democratie raakt, is het vertrouwen daarin erg belangrijk voor het algemene vertrouwen in de democratie. Om die reden wordt het debat hier weergegeven en geanalyseerd vanuit de invalshoek van vertrouwen.
Nederland was een voorloper in de adoptie van elektronisch stemmen en hoewel de discussie pas later is gaan spelen, is ook in de beginjaren informatie te vinden die een zicht geeft op de relatie tussen het vertrouwen van de burger in de politiek en het elektronisch stemmen. Deze paragraaf vormt het onderzoeksdeel van deze scriptie. Hiervoor wordt gekeken naar de houding die gouvernementele en niet
24 Zie voor een overzicht van deze verschillende rapporten de website van de Ierse Commision on Electronic Voting, op: http://www.cev.ie/htm/tenders/test_reports.htm
gouvernementele actoren hebben in het debat over stemmachines ten opzichte van de relatie tussen dit vertrouwen in de politiek en e-democracy. De gouvernementele actoren die in de analyse worden meegenomen zijn de overheid (in het bijzonder het ministerie van Binnenlandse Zaken), de Kiesraad, politieke partijen en volksvertegenwoordigers. Niet gouvernementele actoren zijn burgers en de fabrikanten van stemmachines. Van deze actoren worden documenten geanalyseerd om te bekijken welke rol het vertrouwensaspect speelt in de interacties. De methodologische verantwoording voor de selectie van de bronnen die worden geanalyseerd in het kader van het debat over stemmachines, wordt gegeven in appendix A. De bronnen zelf worden gegeven in appendix B, waarin alle gebruikte documenten in chronologische volgorde zijn weergegeven. De chronologie vormt een belangrijk deel van de systematiek van het onderzoek. In deze paragraaf wordt, ten behoeve van de leesbaarheid, met enkel nummers verwezen naar het volgnummer uit appendix B van het document dat bron is van de informatie waarbij de verwijzing wordt vermeld.
De analyse wordt in drie stappen onderverdeeld. In § 4.3.1 wordt het debat over stemmachines gedetailleerd beschreven op basis van de documentenanalyse. Daarin wordt gezocht naar de relatie tussen vertrouwen en elektronische democratie (in de toepassingsvorm van stemmachines). Deze relatie krijgt vorm door de houding van de onderzochte actoren jegens de rol van vertrouwen bij elektronische toepassingen van democratie. Na dit feitenrelaas wordt in § 4.3.2 de reconstructie van het debat gebruikt om de relatie tussen vertrouwen en stemmachines te analyseren. Ten slotte worden in § 4.3.3 de zes hypothesen uit § 2.5 getoetst aan het debat over stemmachines. Voor het overzicht wordt in de volgende paragraaf ook een tijdlijn gegeven waarin de belangrijkste ontwikkelingen staan. In de totale chronologie valt op dat het debat in 2006 tot een hoogtepunt kwam, om deze reden is de documentenanalyse en de tijdlijn opgesplitst in de periode tot begin 2006 en de periode daarna.
De wettelijke mogelijkheid voor het stemmen met technische hulpmiddelen bestaat al vanaf 1965. De wettelijke regelingen die een basis vormen voor het huidige stemproces zijn echter van later en betreffen de Kieswet van 28 september 1989 en het Kiesbesluit van een kleine maand daarna. Het gebruik van stemmachines nam daarop toe. De belangrijkste ontwikkelingen vanaf deze periode tot aan begin 2006 worden in tijdlijn op de volgende bladzijde weergegeven.
In § 7 van de Kieswet (1:art. J32,J33,J34) wordt het stemmen anders dan middels stembiljetten mogelijk gemaakt, wel moeten de ‘andere middelen’ voldoen aan bepaalde eisen. Zo moet het geheime karakter van stemmingen zijn gewaarborgd en moet de bediening eenvoudig en zonder storingen zijn. Het Kiesbesluit werkt deze ‘andere middelen’ verder uit tot stemmachines (1:§3), tevens wordt daar gesteld dat er een ministeriele regeling moet komen voor de stemmachines en dat er een keuring voor moet komen. In dit initiële wettelijk kader worden stemmachines gezien als hulpmiddel in een verder onveranderd proces.
1996
1997
Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines
1998
1999
2002
2003
Vragen in grote gemeenten over oncontroleerbaarheid stemmachines
Klachten en vragen van burgers en kandidaat over gebruik stemmachines bij verkiezingen gemeenteraad
Figuur 4.1 – tijdslijn ontwikkelingen
stemmachines t/m 04-2006
2004
2005
2006
De eerste beschreven veranderingen die het elektronisch stemmen in het kiesproces brengen, komen in 1995, met een rapport over de voor-en nadelen van elektronisch gefaseerd stemmen. Dat gefaseerd stemmen houdt in dat de kiezer op een scherm eerst een politieke groepering kiest en dan de bijbehorende lijst krijgt te zien voor kandidaat-keuze (2). De opstellers van het rapport en de Kiesraad zien vooral voordelen van deze methode, waarbij met name een toenemende overzichtelijkheid bij het stemmen wordt genoemd. Zij zien dan ook geen belemmeringen het Kiesbesluit aan te passen om elektronisch gefaseerd stemmen toe te staan. Het gebruik van computers biedt hier nieuwe mogelijkheden, zo kunnen meer partijen deelnemen zonder dat dit ten koste gaat van de overzichtelijkheid van de stemlijsten en maakt de methode het mogelijk om twee of meer stemmen tegelijkertijd aan te bieden. Ook denkt de commissie dat elektronisch stemmen minder fraudegevoelig is dan stemmen met stembiljetten (2). De verwachting is dat het gebruik van PC’s kostenbesparend werkt omdat deze computers gewoon gebruikt kunnen worden en alleen op verkiezingsdag worden ingezet voor de stemming. Dit laatste vindt echter geen doorgang in de wijziging van het Kiesbesluit waarin elektronisch gefaseerd stemmen mogelijk wordt gemaakt. Daarin wordt gesteld dat stemmachines alleen voor verkiezingen mogen worden gebruikt en niet mogen worden ingezet voor andere doeleinden, tenzij anders besloten door de minister (8).
Het principe van elektronisch gefaseerd stemmen is enthousiast ontvangen door verschillende partijen, zoals bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (5). Wel moet het mogelijk blijven om stemmachines of papier en potlood te gebruiken bij verkiezingen. In een advies tot de wijziging van het Kiesbesluit noemt de Kiesraad een voordeel van elektronisch stemmen, namelijk dat een elektronische uitdraai van een stemming fouten bij overschrijven voorkomt. Tevens doet de raad het voorstel om met een regeling te komen waarin de eisen aan stemmachines worden vastgelegd (6). Ook komt de elektronische stembus naar voren, een techniek waarbij na het kiezen van een voorkeur deze voorkeur op een magneetkaart wordt gezet en die kaart vervolgens in een digitale stembus met magneetkaartlezer moet worden gestopt, dit geeft meer een ‘stembusgevoel’ maar maakt het stemmen weer extra complex door een extra handeling te vragen. Een opmerkelijk punt in het voorstel is dat de Kiesraad nieuwe stemmachines wil toestaan als zij een verbetering vormen maar niet als ze slechts ‘meer van hetzelfde’ zijn (6). Dit is opmerkelijk omdat het aanbieden en ontwikkelen van stemmachines in Nederland in handen is van private partijen en de gemeenten zelf moeten beslissen of en zo ja, welke stemmachines zij aanschaffen.
Veel van deze aanbevelingen zijn overgenomen in de wijziging van het Kiesbesluit in 1997. In de toelichting van de wijziging wordt ook ingegaan op de eerste argwaan tegenover stemmachines. Deze argwaan betreft de zorgen over het noteren van een volgnummer op de oproepkaart waardoor later te achterhalen zou zijn wat is gestemd. Dit zou mogelijk zijn als de stemmachine de volgorde van stemmen zou bijhouden. Het noteren van nummers gebeurt echter alleen om administratieve redenen, het is dan ook niet mogelijk om te achterhalen wat de eerste, tweede, derde, etc. kiezer heeft gestemd (3). In de toelichting bij de wijziging van het Kiesbesluit worden fraude en fouten een eigenschap van handmatig tellen genoemd, niet van stemmachines (8). In dit Kiesbesluit wordt ook vastgelegd dat stemmachines goedgekeurd moeten worden. Uiteraard moeten ze ook voldoen aan de Kieswet maar worden daar niet in opgenomen omdat men verwacht dat de techniek zich zal blijven ontwikkelen. Het vastleggen in de wet zal daarom enkel beperkend werken.
Een paar maanden na de wijziging van het Kiesbesluit wordt de ‘Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines’ geïntroduceerd (9). Deze regeling voorziet in een eisenlijst waaraan moet worden voldaan voordat stemmachines bij verkiezingen in Nederland mogen worden gebruikt. De minister mag instellingen de bevoegdheid verlenen om de stemmachines te keuren, momenteel is één instelling daartoe bevoegd: TNO spin-off Brightsight (voorheen TNO ITSEF). In de regeling van 1997 worden eisen gesteld aan de functionaliteit en techniek van stemmachines. Technische eisen gaan vooral over storingen en omgevingscondities. De eisen aan de software zijn wat beperkt, misschien een gevolg van de beperkte kennis op softwaregebied van de opstellers van de regeling (getuige ook uit de vraag over softwaretesten, opgenomen in de regeling op p. 7). Het behoeden tegen technisch falen van stemmachines en de verzekering dat een stem altijd wordt geregistreerd, ook met stroomuitval of met een defect deel van het geheugen, vormen een belangrijk onderdeel van de regeling (9).
Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1998 komen stemmachines negatief in de media. De oorzaak ligt in de hinder bij de verkiezingen door technische storingen. Aangezien verkiezingen de kern van het democratische aspect in onze parlementaire democratie vormen, kunnen problemen daaromheen het vertrouwen in een goed verloop van verkiezingen schade toebrengen. Het doet het vertrouwen in de apparatuur in ieder geval geen goed. In reactie op deze problemen stelt de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken dat de problemen bij de verkiezingen ten onrechte aan stemmachines zijn verweten, de technische problemen met machines zelf blijken klein (11). Hoewel op dat moment ongeveer 70% van de Nederlandse gemeenten gebruik maakt van stemmachines, vindt bij een nog groter deel de uitslagberekening met behulp van de computer plaats. De problemen bij de verkiezingen zitten in het geautomatiseerd verwerken van de uitslag, niet in de stemmachines. Voor deze software was geen goedkeuringsprocedure (11). Die zou er eigenlijk wel moeten komen (13). Goedkeuring van de software is wenselijk voor de versterking van het vertrouwen van de kiezer volgens de Kiesraad (19). Om die reden heeft de Kiesraad ook een advies uitgebracht over een goedkeuringsprocedure (19). Controle van de uitslagen blijft echter noodzakelijk, er mag niet volledig op de correctheid van uitslagverwerkende programmatuur worden vertrouwd. Ook uit de Kiesraad zijn zorg over de continuïteit van de ondersteuning van de software waar zoveel gemeenten afhankelijk van zijn, aangezien de ontwikkelaar daarvan (Jan Groenendaal) aangegeven heeft binnen afzienbare tijd met pensioen te gaan. De opvolging moet tijdig worden geregeld (19,24).
Het snel tellen van de stemmen wordt door leden van de Tweede Kamer als grootste voordeel gezien van stemmachines (12). Dat stellen zij bij vragen over het inzetten van stemmachines bij gecombineerde verkiezingen. Het inzetten van stemmachines bij twee stemmingen tegelijkertijd levert echter wel een element van verwarring op. Tevens kan, doordat er meer informatie op het paneel moet worden weergegeven, het risico ontstaan dat niet alle lijsten volledig op de stemmachine passen (12, gefaseerd stemmen zou hier overigens een oplossing kunnen bieden). Stemmachines moeten een specifieke goedkeuring krijgen voor het houden van meerdere stemmingen tegelijkertijd, in 1998 is die goedkeuring nog niet voor alle machines gegeven.
Het vertrouwen dat stemmachines onder kiezers genoot, heeft niet erg te leiden gehad onder deze eerste vraagtekens bij de toepassing ervan. De nota ‘ontwikkelingen in het kiesrecht’ uit 1999 gebruikt een Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) om aan te tonen dat er een groot vertrouwen in stemcomputers is (13). Overigens geniet ook het ‘ouderwetse’ stembiljet algemeen een groot vertrouwen. De reden dat gemeenten, ondanks de hoge aanschafkosten, op stemmachines overstapten wordt gezocht in het feit dat gemeenten niet achter willen blijven bij andere gemeenten, men een betere efficiency in stemlokalen wil behalen en sneller de uitslag wil vaststellen. Ook de klantvriendelijkheid van het systeem en de betere serviceverlening richting de burger komen als positieve aspecten aan elektronisch stemmen naar voren (13). Echt opkomstverhogend werken stemmachines volgens het NKO echter niet. Maar ook als de opkomst niet groter wordt, bieden stemmachines een toegevoegde waarde door het stemproces te vereenvoudigen en daarmee de service aan de burger te verbeteren (13).
Om meer zicht te krijgen op de stand van zaken van de automatisering rond het verkiezingsproces heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken aan Het Expertise Centrum (HEC) gevraagd dit te onderzoeken. Dit onderzoek bevestigt dat klantvriendelijkheid als positief aspect van elektronisch stemmen wordt gezien, vooral bij stemPC’s (reguliere PC’s met speciale verkiezingssoftware) is dat het geval (14). Het HEC heeft voor dit onderzoek een rondgang langs gemeenten gemaakt met vragen over stemmachines. Veel van de aanschafoverwegingen zijn overeenkomstig eerder genoemde overwegingen als efficiency. Ook wordt besparing op de kosten genoemd als voordeel, zo is er berekend dat de gemeente Haarlem na zes verkiezingen de aanschafkosten van stemmachines eruit zou halen en daarna dus op de vaste kosten per verkiezing zou besparen (18). De gemeenten noemen de snelle uitslag, de presentatieopties en analysemogelijkheden als voordelen van de software voor uitslagverwerking (14). Volgens de ondervraagde gemeenten zijn kiezers over het algemeen tevreden met stemmen via stemmachines, bij stemPC’s (vaak met aanraakscherm) merken gemeenten soms enige angst voor nieuwe technologie. De werking en ondersteuning van de leverancier van de stemmachines (Nedap) wordt als goed beoordeeld. De software voor uitslagverwerking (ISS) is wel hard gekoppeld aan de Nedap/Groenendaal stemmachines, dit geldt overigens ook voor de Samsom/Sdu stemPC’s en hun Elektor verwerkingssoftware. Als gemeenten ISS of Elektor gebruiken zonder dat stemmachines zijn ingezet dan moeten de uitslagen handmatig worden ingevoerd. Het HEC constateert wel problemen met de software voor uitslagverwerking en vindt dat een keuring voor deze software ‘logisch’ zou zijn (14). De wettelijke procedures zijn nog steeds gebaseerd op een papieren verwerking van stemmen. Buiten deze kritiek op de verwerkingssoftware merken gemeenten ook op dat wachtrijen bij het gebruik van stemmachines nauwelijks korter (of langer) zijn dan bij papieren biljetten (wel neemt het aantal stemdistricten wat af). De voornaamste redenen voor gemeenten om niet voor stemmachines te kiezen vormen de hoge aanschafkosten en het gegeven dat het stembiljet goed werkt (14).
Discussie over stemmachines komt pas na de eeuwwisseling echt tot stand. Dit begint met klachtenbrieven van burgers waarin een wantrouwen in stemmachines doorklinkt. Zo is in een brief aan de Kiesraad te lezen dat een klager vindt dat het gebruik van stemmachines niet compatibel is met artikel 25 van de Politieke Mensenrechten (van de V.N.) en overweegt deze burger een kort geding tegen stemmachines (15). Dit omdat er bij het stemmen met stemmachines geen controle meer mogelijk is op de eerlijkheid van het tellen. De schrijver vindt de kwaliteit van stemmachines twijfelachtig en dat is slecht voor het imago van verkiezingen en dus ook voor de opkomst (15). Mensen hebben het recht te controleren, dat heeft vooral een preventieve werking. Die controle op het tellen heeft volgens de schrijver niets met vertrouwen te maken, maar is vergelijkbaar met een alcoholcontrole. Uit de brief spreekt dat de techniek en zelfs de controleurs van die techniek op zich niet vertrouwd mogen worden, maar dat hele proces met eigen ogen waargenomen moet kunnen worden. De schrijver merkt overigens wel op dat de situatie nu mogelijk niet problematisch is, maar dat men zich zorgen zou moeten maken bij eventueel veranderende politieke situaties. Dat ‘onbekend’ al snel ‘onbemind’ kan maken blijkt ook uit een brief met een klacht over de mogelijkheden tot blanco stemmen op een stemmachine (16). De schrijver van die brief denkt dat de stemmachine niet aan de Kieswet voldoet omdat er niet zowel de mogelijkheid tot blanco stemmen als tot ongeldig stemmen bestaat. De Kiesraad reageert op de brief met de melding dat een blanco stem niet wordt meegenomen in de kiesdeler en daarom dezelfde waarde heeft als een ongeldige stem.
In 2002 ontstond werkelijk discussie over stemmachines in Nederland, gevoed door het afwijzen van Nedap stemmachines in Ierland (zie ook de vorige paragraaf). Op 27 maart 2002 stuurde het Ierse ministerie dat over het stemproces gaat, een fax naar het Nederlandse ministerie van Binnenlandse Zaken met de resultaten van een onderzoek naar de stemmachines van Nedap/Groenendaal (17). Dit onderzoek is uitgevoerd door Zerflow, dat de opdracht kreeg om de beveiliging van de stemmachines te bekijken. Het rapport roept enkele vragen op over de veiligheid van stemmachines, maar die worden door het ministerie en de fabrikant niet als bedreiging van het stemproces ervaren. De conclusie van de minister is dat de door Zerflow beschreven probleemscenario’s onwaarschijnlijk zijn. De Ierse overheid blijft de voordelen van elektronisch stemmen benadrukken: “electronic voting is rightly seen as a progressive and welcome modernisation of our electoral process” (17:3). In de brief die het rapport begeleidt wordt benadrukt dat stemmen met potlood tot lange wachttijden leidt, stemmachines moeten juist snel duidelijkheid geven (17). Ook is hertellen niet nodig. Het Ierse ministerie blijft dus positief tegenover elektronisch stemmen staan. Het rapport van Zerflow zet de machines echter in een negatief daglicht en deze kritiek heeft in 2004 geleid tot Kamervragen over de betrouwbaarheid van stemmachines (20). De punten die Zerflow aanstipt zijn volgens minister De Graaf vooral van toepassing op de Ierse situatie. In Ierland wordt een ander type stemmachine gebruikt en is het kiesstelsel anders, waardoor stemmen centraal geteld worden. In Nederland worden stemmachines uitgebreid gekeurd en wordt alles goed gecontroleerd benadrukt de minister. Hij stelt dat stemmachines die in Nederland worden gebruikt naar zijn mening betrouwbaar zijn (20).
De positieve berichten ten spijt is het debat over de betrouwbaarheid van stemmachines inmiddels ingezet. In de meeste van de grote gemeenten zijn naar aanleiding van de Ierse situatie vragen gesteld over stemmachines. Bijvoorbeeld in Den Haag, door de lokale D66 fractie, die in hun vragen de kritiek van Zerflow laten weerklinken (zij hebben kennis genomen van dat rapport middels de Automatisering Gids van 26 maart 2004). De antwoorden op deze vragen komen overeen met de antwoorden van minister De Graaf op de Kamervragen. Opvallend is wel dat de vragensteller(s) eigenlijk niet precies weten hoe de situatie in Nederland is of hoe die verschilt van de Ierse situatie (21). Zo gaat een deel van de kritiek van Zerflow over de gevoeligheid van back-up geheugen dat in Ierland wordt gebruikt omdat de stemgegevens daar in een centraal count center worden verwerkt. In Nederland worden de uitslagen echter per stemlokaal berekend en hier werkt men niet met dat back-up geheugen, toch klinkt de kritiek op dat geheugen terug in de vragen. In antwoord op de vragen stelt het college dat software van stemmachines niet door externe programmeurs beïnvloedbaar is en de software voor PC’s iedere keer wordt vernieuwd en getest (21). Tevens dient de goedkeuring van stemmachines door de minister als bewijs dat stemmachines betrouwbaar zijn. In antwoord op vragen van Leefbaar Den Haag stelt het college dat het open en inzichtelijk menselijk handelen rondom de verkiezingen voorziet in de gevraagde open en inzichtelijkheid van het stemproces met stemmachines (26).
Andere argumenten worden opgevoerd door de SP, met vragen aan het college in Tilburg (22). De problemen rond de verkiezing van president Bush worden aangehaald om aan te geven dat ook in Nederland hertelling onmogelijk is en dat er moet worden vertrouwd op een black box (een ondoorzichtige techniek). Volgens de vragensteller kan een betere controle op het stemproces worden geboden door een ‘papieren spoor’ toe te voegen aan het stemmen. Zo’n ‘papieren spoor’ (in het vervolg wordt de gebruikelijke Engelse benaming ‘paper trail’ gehanteerd) voorziet in een uitdraai van de stem van de kiezer, die dit vervolgens controleert en in een stembus stopt. Op die manier is fysieke hertelling altijd mogelijk (22). De antwoorden op deze vragen maken duidelijk dat stemmen met de stemcomputer nauwkeuriger en betrouwbaarder is en veel sneller de uitslag geeft dan bij stemmen met stembiljetten. In Tilburg spreekt men van stemcomputers, wat de gebruikelijke term is voor de stemPC’s van Sdu. De term ‘stemmachines’ wordt meestal gebruikt voor de Nedap/Groenendaal apparaten, maar het onderscheid wordt niet overal consequent doorgevoerd. Over de paper trail is de gemeente duidelijk: het biedt geen toegevoegde waarde en brengt hoge kosten met zich mee (22). Experimenten in andere landen met de paper trail stuiten bovendien op tal van problemen, zo ontstaat bijvoorbeeld altijd wel een verschil tussen elektronische stemmen en papieren stemmen. De vraag is dan welke uitkomst leidend is. Ook zou het niet uitnemen van het printje het stemgeheim kunnen schenden en mag een kiezer niet aan de hand van een uitdraai aan derden kunnen tonen wat hij gestemd heeft. Toch neemt de Kiesraad de paper trail mee in de beraadslagingen over de inrichting van het stemproces, zo antwoord de raad op een brief waarin een burger voorstelt een dergelijke maatregel in te voeren (25).
Duidelijk is inmiddels dat het gebruik van stemmachines in het Nederlandse stemproces niet meer zonder vraagtekens is. Toch is het gebruik van stemmachines in Nederland in de periode van deze opkomende discussie alweer groter geworden. Gebruikten in 1998 ongeveer 70% van de gemeenten stemmachines, in een brief in 2004 van Nedap/Groenendaal blijkt dat hun aandeel nog eens met 20 procentpunt is gegroeid (23).
Belangrijk argument in het ontstane debat is de controleerbaarheid en transparantie van het verkiezingsproces. Vooral de afwezigheid van een mogelijkheid tot fysieke hertelling, omdat stemmen alleen elektronisch worden opgeslagen, staat centraal. Kamervragen over de afwezigheid van deze mogelijkheid kwamen in 2005 (27). In deze vragen komt naar voren dat er een herstemming nodig is bij serieuze twijfel aan de uitslag, omdat een hertelling geen andere uitslag kan opleveren dan de eerste telling aangezien met dezelfde gegevens wordt gewerkt. Minister Pechtold is echter even stellig als zijn voorganger in het uitdragen van de betrouwbaarheid van het stemproces met stemmachines. Volgens de minister wijzen de ervaringen tot dan toe uit, dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de huidige stemmachines. Er is volgens hem nog geen stem verloren gegaan (27). Bij TNO wordt getest of de stem die een kiezer uitbrengt ook goed in het geheugen wordt opgeslagen. Ook kan een stem niet verloren gaan bij storingen (er is altijd voldoende reststroom aanwezig in de machine om een stem weg te kunnen schrijven) dus van onjuist functioneren van de machine is geen sprake, en een hertelling is niet nodig (27). Zoals ook uit het systeemmodel uit hoofdstuk twee blijkt, is een democratie erbij gebaat als het stemproces boven alle twijfel verheven is. De minister wil alle twijfel wegnemen met stellige antwoorden. Toch is het debat anno 2006 ook onder burgers gaan spelen en stemmachines zijn nu onderdeel van het debat over de kloof tussen burger en overheid. Vooral bij de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam is er door diverse burgers protest aangetekend over de onbetrouwbaarheid van een stemuitslag bij het gebruik met stemmachines.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2006 is Amsterdam overgegaan op het gebruik van stemPC’s; de Sdu NewVote. Dat er inmiddels publieke vraagtekens bij elektronisch stemmen worden gezet, is hier duidelijk merkbaar. Individuele burgers hebben de signalen over de betrouwbaarheid opgepikt en sommigen zijn niet bereid deze manier van stemmen zomaar te accepteren (30). De negatieve reacties op het gebruik van stemmachines gaan zover dat een enkeling aangeeft niet te hebben gestemd omdat de computers niet te vertrouwen zijn en er zijn principiële bezwaren tegen stemmachines (30a). De problemen in Amerika (die destijds in de media zijn uitgelicht) bieden houvast voor klagers om aan te tonen dat stemcomputers feilbaar zijn. Ook de vraag over het achterhalen van stemmen aan de hand van volgnummers komt terug (30d). Eén klager gaat zelfs zover om te stellen dat computers per definitie oncontroleerbaar zijn en dat nu de weg naar massale fraude is ingezet (30a). Tevens wordt een formeel bezwaar tegen de verkiezingsuitslag ingediend wegens gebrek aan openbaarheid van de software, gebrek aan controleerbaarheid en de afwezigheid van de mogelijkheid tot hertelling (30f). Deze klager eist dat papieren stemmen weer wordt geïntroduceerd vanwege het belang van de democratie en het vertrouwen daarin. Het is, volgens deze klager, onbegrijpelijk dat de invoer van stemcomputers zonder ‘slag of stoot’ heeft kunnen plaatsvinden (30h). De verantwoordelijken voor de software vormen slechts een ‘kleine groep personen die nooit zijn gekozen en geen verantwoording afleggen’. Deze klachten snijden het vertrouwensaspect aan om aan te geven dat verkiezingen op deze elektronische manier de democratie een vertrouwensdeuk toebrengen. De meest extensieve campagne tegen het gebruik van stemmachines vindt zijn oorsprong dan ook onder Amsterdammers, waar een groepje computerexperts zich voor het eerst geconfronteerd zag met een stemcomputer waarvan de werking niet helemaal te doorgronden was. Zij startten een initiatief om het gebrek aan controleerbaarheid van het proces aan de kaak te stellen. Dit initiatief vond weerklank bij een grotere groep ‘bezorgde burgers’ en ontwikkelde zich tot een actiegroep.
De actiegroep wijvertrouwenstemcomputersniet.nl (later als stichting opgericht) is dus opgericht met als centrale argument dat stemcomputers verkiezingen oncontroleerbaar maken (32). De actiegroep maakte goed gebruik van hun website en wisten media-aandacht te genereren. Door de aandacht voor deze groep en de organisatie erachter, ontsteeg de campagne van de groep de omvang van het protest dat individuele burgers eerder hadden aangetekend tegen stemmen middels stemmachines. De actiegroep maakte stemmachines tot het middelpunt van een discussie waarbij ook de overheid en fabrikanten werden betrokken. Deze discussie speelde zich in 2006 af en van de belangrijkste ontwikkelingen is de volgende tijdlijn opgesteld:
Mei
Juni
Berichten mogelijke verkiezingsfraude met stemmachines
Vragen van politieke partijen in gemeenten
Juli
met stemmachines
Vragen gem. Utrecht Aug.
of stemmachines nog te vertrouwen zijn
Sept.
Vragen Tweede Kamer over rapport (VS) over Actiegroep test Nedap stemmachines stemmachine en geeft persbericht uit
Okt. Minister beantwoordt vragen en kondigt maatregelen aan: extra beveiliging. Ook blokkeert hij de SDU stemcomputer
Nov. Nedap stemmachines wordt geblokkeerd Een van vier typen
Figuur 4.2 – tijdslijn ontwikkelingen stemmachines vanaf 04-2006
Volgens de actiegroep tegen stemcomputers hadden de makers van de oorspronkelijke Kieswet een gezond wantrouwen jegens alles en iedereen; velen controleren elkaar omdat een verkiezing ook eerlijk moet zijn als de regering dat niet is (32). De actiegroep vindt dat stemuitslagen alleen controleerbaar zijn als er een ‘eigen’ stuk papier achterblijft. Dat kan eventueel met paper trail, maar traditionele stembiljetten zijn daarvoor het makkelijkst en goedkoopst. De doelstelling van de stichting is “het bevorderen, verdedigen en onderzoeken van controleerbare en transparante verkiezingen, met bijzondere aandacht voor de obstakels die het electronisch [sic] stemmen daarbij opwerpt” (50). De actiegroep noemt stemcomputers “op zijn best een problematische non-oplossing van een nonprobleem” (32). Volgens de actiegroep wordt er in meer landen actie gevoerd en wordt het hoog tijd dat in Nederland (immers een voorloper in de adoptie van stemmachines) ook kritisch wordt gekeken naar het stemproces waarin stemcomputers worden gebruikt. ‘Vroeger’ was een samenzwering van fenomenale proporties nodig om de verkiezingen in Nederland te vervalsen. Nu blijven verkiezingen met stemmachines in de handen van een klein groepje dat roept dat het wel goed zit (32). Volgens de actiegroep wordt in Nederland bijna overal gestemd met behulp van computers die niet beschermd zijn tegen moedwillige manipulatie. Niemand, ook de leden van het stembureau niet, heeft toezicht op het feitelijk tellen van de stemmen, daardoor kunnen uitslagen achteraf niet worden gecontroleerd en dat is volstrekt onacceptabel (32). De actiegroep vindt dat er zoveel reden is om het verkiezingsproces met stemmachines te wantrouwen dat zij oproept tot stemtoerisme; het stemmen in gemeenten waar met papier en potlood wordt gestemd. Iedere motivatie voor het gebruik van stemmachines wordt ondergeschikt gemaakt aan het belang van een controleerbare verkiezingsuitslag.
Middels wob-verzoeken (wob: wet openbaarheid van bestuur) probeert de actiegroep alle informatie over stemcomputers los te krijgen van de overheid. In een reactie op die verzoeken geeft het ministerie aan dat stemmachines gekeurd worden door TNO en dat een goedkeuring tot op dat moment nog nooit is ingetrokken (34). Ook bij tests achteraf zijn nog nooit afwijkingen geconstateerd. De overheid probeert open te zijn over de procedures rondom stemmachines en geeft daardoor weinig ruimte aan theorieën die stellen dat de ‘machthebbers’ een ‘verborgen agenda’ hebben. In reactie op het wobverzoek zijn dan ook veel documenten openbaar gemaakt. De broncode van de software van stemmachines kan niet worden geopenbaard omdat daar intellectuele eigendomsrechten van private partijen op rusten (35). Deze broncode wordt wel bekeken door het TNO keuringsinstituut Brightsight. TNO heeft overigens bezwaar ingediend tegen de openbaarmaking van haar documenten aangezien deze niet geschreven zijn voor derden (36).
De actiegroep gebruikt de term ‘stemcomputers’ omdat zij vindt dat ‘stemmachines’ een bewust misleidende naam is aangezien er een computer achter de stemmachine zit. In een reactie op de opkomst van de actiegroep geeft Jan Groenendaal aan dat het gebruik van het woord ‘stemmachine’ door Nedap/Groenendaal wordt gehanteerd omdat dit drempelverlagend zou werken, met name onder oudere kiezers (37). Overigens wordt in veel documenten, ook overheidsdocumenten, niet consequent vastgehouden aan de benaming, dus het lijkt meer op een woordspelletje van de actiegroep dan op de ‘bewuste misleiding’ waarover zij spreken. In zijn reactie op de actiegroep zet Groenendaal vraagtekens bij de standpunten van de actiegroep. Hij stelt zich ook de vraag of de drijfveer van de (internationale) actiegroepen enkel het “onrust stoken om het onrust stoken” is (37). Volgens Groenendaal is er wel degelijk een groot ‘consumentenvertrouwen’ in het gebruik van stemmachines en heeft het juist een voordeel dat slechts een beperkte groep experts zich bezighoudt met de software, je weet dan immers waar te zoeken als er iets misgaat (37). De Nedap stemmachines worden enkel en alleen gebruikt om te stemmen. De coördinaten worden op “zeer-zeer-zeer” veilige wijze opgeslagen en hackers hebben geen kans omdat de apparaten stand-alone zijn (dus niet aan een netwerk van stemmachines zijn gekoppeld). Tevens wijst hij erop dat ook het proces met stembiljetten niet volledig was te volgen, dus dat dit kritiekpunt zeker niet alleen voor stemmachines geldt. Op de bewering dat het ‘vroeger’ beter ging is zijn reactie kort: “men kent de klassieken kennelijk niet” (37).
Groenendaal erkent het bezwaar dat de broncode niet openbaar beschikbaar is. Dat is het gevolg van het beleid dat de techniek aan de vrije markt moet worden overgelaten en er dus concurrentie en intellectueel eigendom in het spel is (37). Technologie kan ook niet zodanig transparant worden gemaakt dat iedere burger het kan doorschouwen, een broncode leest immers niet als een spannend boek (37). Daardoor kan slechts een kleine groep er iets mee. Het inschakelen van onafhankelijke testinstituten en certificering is dan ook onmisbaar in onze complexe maatschappij, aldus Groenendaal:
“In het maatschappelijk verkeer is het heel gebruikelijk dat de controle op bepaalde processen door het individu wordt gedelegeerd aan een vertrouwenwekkende instantie. Zo neemt niemand een maatbekertje mee naar het benzinestation om elke liter af te passen, maar vertrouwt men op het zegeltje van het IJkwezen of het meet-instituut (overigens ook het maatbekertje zou weer moeten worden geijkt etc.). Niemand die met een vliegtuig meegaat, vraagt de piloot zijn brevet te tonen of de certificaten van het laatste onderhoud of de broncode van de automatische piloot-software. Men vertrouwt op de Rijksluchtvaartdienst of de IATA. Zo ook met de stemmachine; de correcte werking is vastgesteld door TNO. De gehele gedachte achter het toepassen van stemmachines is nu juist om papier uit te bannen en daardoor menselijke fouten te elimineren, waardoor hertellingen niet meer nodig zijn” (Groenendaal).
Groenendaal ziet stemmachines dus als verbetering van het democratische proces en als methode om het vertrouwen in een eerlijk en foutloos stemproces te vergroten. De actiegroep wijvertrouwenstemcomputersniet.nl is het daar duidelijk niet meer eens en de campagne van de groep behaalt al snel aandacht van de media en opnieuw vindt de kritiek weerklank bij politici her en der in Nederland. Zo stelt een raadslid in Den Haag vragen over de controleerbaarheid van stemuitslagen bij het gebruik van stemmachines. Deze vragen stelt hij naar aanleiding van de standpunten van de actiegroep, die volgens hem onrust kunnen zaaien: “Zelfs de geringste twijfel rondom het proces van verkiezingen is aanleiding voor ongerustheid en twijfels over de controleerbaarheid van de uitslag in het bijzonder” (39). Het college deelt de negatieve houding van de actiegroep echter niet, de gemeente zelf test de stemmachines nog met proefstemmen. Dus al kan de software zelf niet worden gecontroleerd, de werking ervan kan wel worden gecontroleerd (39). Ook in Utrecht en Amsterdam zijn soortgelijke vragen gesteld waarin om extra maatregelen wordt gevraagd (40,43). Fraude met stemcomputers is moeilijk aan te tonen en het gebruik ervan veronderstelt dat de leden van het stembureau betrouwbaar zijn, omdat zij de stemcomputers bedienen en daarmee kunnen manipuleren (40). Hiermee is het argument eigenlijk terug bij af, want feitelijk stelt de vragensteller hier vast dat verkiezingen nu eenmaal mensenwerk blijven. Dat is zo met papier en potlood en dat blijft zo met stemmachines.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft de actiegroep opgemerkt en stuurt in juli 2006 een e-mail aan de oprichter van de groep. Daarin wordt verzocht tot overleg over “mogelijke maatregelen ter versterking van het vertrouwen van kiezers in stemmachines en stemcomputers” (41). Het ministerie en de Kiesraad nemen het initiatief “zeer serieus” (41). De actiegroep heeft echter (nog) geen behoefte aan een constructieve discussie. Bij monde van oprichter Rop Gonggrijp reageert de actiegroep met de veronderstelling dat voor het ministerie niet de stemcomputer, maar de actiegroep het probleem vormt (42). Volgens Gonggrijp kan een versterking van het vertrouwen pas plaatsvinden als het huidige stemmachinepark bij het grofvuil staat. Volledig voorbijgaand aan de complexiteit van het begrip vertrouwen en het grote belang ervan voor de democratie, stelt hij ook dat “een verdere *verzwakking* van dit vertrouwen op lange termijn de democratie dient” (42). Volgens de oprichter van de actiegroep is black-box voting wereldwijd stervende. In ieder geval wil men geen gesprek voordat het ministerie beseft dat herinvoering van stembiljetten of een paper trail nodig is. Overleg voor het zover is kan enkel verlies van de campagne opleveren, denkt de actiegroep.
Ook in politiek Den Haag leidt de opkomst van de actiegroep tot vragen. SP Kamerlid Irrgang neemt het belang van vertrouwen als uitgangspunt voor zijn vragen: “vertrouwen in democratie begint bij het vertrouwen in het stemsysteem. Ik wil elke twijfel wegnemen, ik neem aan de minister ook” (45). Het Kamerlid wil een onderzoekscommissie naar stemmachines, omdat volgens hem de momenteel gebruikte vormen van elektronisch stemmen vatbaar zijn voor fraude. Men moet niet te goed van vertrouwen zijn als het gaat om techniek, zelfs voor de Kiesraad is de stemmachine een zwart gat (45). Kort gezegd komt het argument van Irrgang er op neer dat de techniek niet te vertrouwen is, terwijl er steeds meer techniek wordt gebruikt in het stemproces. Aangezien vertrouwen in de democratie begint bij vertrouwen in het stemsysteem, kan die techniek het vertrouwen in de democratie dus verkleinen. Voordat minister Nicolaï antwoord kan geven op deze vragen, neemt de campagne tegen stemcomputers een verrassende wending.
De actiegroep voelt zich gesterkt door de aandacht en meent dat velen na het lezen van hun website geen vertrouwen meer hebben in stemmachines (46). Men besteedt breed aandacht aan onderzoeken naar Amerikaanse stemmachines, die meer en meer onder vuur zijn komen liggen. De actiegroep geeft ook aan op zoek te zijn naar een Nederlandse stemmachine voor onderzoek (46). In een televisieuitzending van eind september 2006 worden de Amerikaanse toestanden aangehaald bij het over het voetlicht brengen van de ideeën van de actiegroep. Daarop heeft de minister van Bestuurlijke Vernieuwing maatregelen aangekondigd om de zeer geringe mogelijkheden tot fraude nog kleiner te maken. Het gaat dan vooral om extra beveiliging en controle van de software (47). Vlak daarna (begin oktober) wordt duidelijk dat de actiegroep de gewenste stemmachine inmiddels heeft bemachtigd en aan een onderzoek heeft onderworpen (48,49). In een beveiligingsanalyse van de Nedap ES3B (het type dat de groep beschikbaar heeft gekregen van een gemeente, tevens het meest gebruikte type in Nederland) worden twee belangrijke beveiligingsproblemen naar voren gebracht. Het eerste probleem is dat met het installeren van nieuwe software iemand controle kan krijgen over de stemuitslag en dat praktisch niet te achterhalen is. Daarnaast is er radiostraling opgevangen waarmee iemand op een aantal meters afstand, informatie kan ontvangen over wat er gestemd wordt (48). Volgens de actiegroep zijn dit diepgaande problemen en is dit het gevolg van het gebrek aan aandacht voor de betrouwbaarheid en controleerbaarheid van DRE stemmachines (DRE: Direct Recording Electronic, een Engelse verzamelterm voor stemmachines waaronder ook de Nedap/Groenendaal stemmachines vallen). In het artikel zeggen de onderzoekers dat het gevaarlijk is dat ‘onze kinderen’ opgroeien met het idee dat het normaal is dat je niet weet hoe je verkiezingen precies werken (48).
In het persbericht dat samen met dit onderzoek uitkomt, eist de actiegroep maatregelen van de minister. Neemt hij die niet, dan brengt de actiegroep het voor de rechter (49). De Nedap stemmachine heeft geen enkele beveiliging tegen manipulatie en fraude en is daarom ongeschikt voor verkiezingen. Volgens de actiegroep ligt de oorzaak van de fraudemogelijkheden bij de ontoereikende eisen van de overheid en het overlaten van de verkiezingen aan private partijen (49). Om de eis kracht bij te zetten stuurt de advocaat van de actiegroep een brief aan de minister en aan de Kiesraad, waarin wordt gesteld dat verkiezingen in Nederland niet voldoen aan de elementaire beginselen van de democratische rechtstaat, omdat: (I) fraude met stemmachines eenvoudig is, en (II) deze fraude niet of nauwelijks geconstateerd kan worden (50). De reeds genomen maatregelen miskennen de aard en omvang van het probleem volledig. Niet alleen de fraudemogelijkheden zijn problematisch, maar ook is het stemgeheim in gevaar doordat de stemmachines straling afgeven. Als de overheid ‘controleerbare en transparante verkiezingen’ weigert dan is dat onrechtmatig handelen jegens iedereen die wil stemmen (50). De advocaat concludeert met de stelling dat eerlijke en controleerbare verkiezingen op dit moment niet in Nederland kunnen plaatsvinden (50).
De resultaten van het onderzoek naar de stemmachine worden gepresenteerd in een televisieprogramma, deze uitzending vormt de aanleiding voor een serie vragen van leden van de drie grootste fracties in de Tweede Kamer (51). De vragen spitsen zich vooral toe op de beveiligingseisen aan gemeenten (zoals opslag, transport en verstrekken van stemmachines aan derden) en niet zozeer op de beveiliging van de software op zich (51). De actiegroep raakt de regie over het debat langzamerhand kwijt, wat tevens een kans vormt voor de Nederlandse politiek om de schade aan het vertrouwen in het verkiezingsproces te beperken. Traditionele gatekeepers nemen de regie van het debat over van de actiegroep. Bij de politiek staan vooral de incidentele problemen met stemmachines centraal, terwijl de actiegroep in eerste instantie problemen met controleerbaarheid van het stemproces breed aan de orde wilde stellen. De maatregelen van de minister, namelijk het controleren van alle stemmachines en het extra beveiligen van de software om vervolgens de machines te verzegelen, laten volgens de actiegroep dan ook beveiligingsissues onopgelost (52). Wel kondigt de minister een lange termijn onderzoek aan, dat getuigt echter van te weinig urgentie volgens de actiegroep.
Na al dit tumult komen de antwoorden op de eerder beschreven Kamervragen van Irrgang. In die antwoorden stelt de minister dat het rapport over de Amerikaanse situatie en de berichten rond de Ierse situatie, specifiek voor respectievelijk de VS en Ierland opgaan. Geen van de genoemde problemen vormen onoverkomelijke problemen die voor Nederland relevant zijn (53). De minister geeft wel aan dat het ministerie bezig is met een meer substantiële herinrichting van het Nederlands Kiesrecht. Daarin wil de minister ook elektronisch stemmen meenemen en TNO en de Kiesraad betrekken bij dat onderzoek vanwege hun deskundigheid en onafhankelijk oordeel (53). In het kader van lange termijnmaatregelen wordt ook onderzocht of het wenselijk is de broncode van stemmachines bij de Kiesraad te deponeren. Vooralsnog heeft de Kiesraad op dit terrein echter geen bevoegdheden (53). Uit het antwoord op de Kamervragen spreekt echter over het algemeen de geruststelling dat er zich geen urgent probleem van nationale proporties voordoet met de stemmachines in Nederland. De antwoorden op de Kamervragen van de drie grootste partijen komen ook begin oktober (54). Daarin zet de minister de maatregelen uiteen die zijn genomen om fraude door manipulatie van stemmachines te voorkomen. De maatregelen zijn de volgende: alle stemmachines worden gecontroleerd op de aanwezigheid van eventuele frauduleuze units. Vervolgens worden de herprogrammeerbare units vervangen door éénmalig te programmeren units. Daarna worden de stemmachines fysiek verzegeld. De voorzitter moet op de dag van de stemming controleren of de zegel intact is, zo niet dan mag de stemmachine niet worden gebruikt (54). Op lange termijn wil de minister het proces transparanter maken voor de burger, nu wil hij een juist gebruik van stemmachines bevorderen en het proces controleerbaar maken door openbare protocollering (54). Een andere stap naar meer transparantie vormt de website die het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft geopend over protocollen rondom het stemproces (59). Op de site wordt het vertrouwensprobleem weer losgekoppeld van stemmachines omdat ook bij het stemmen met potlood en papier de kiezer erop moet vertrouwen dat zijn stem correct wordt meegeteld (59). Ook worden de maatregelen uiteengezet die de toch al zeer geringe kans op fraude nog kleiner moeten maken. Het nemen van maatregelen, het politiek bespreken van het probleem en het opzetten van de website dragen bij aan het weghalen van het debat van de actiegroep en de media naar de traditionele gatekeepers.
Het beschikbaar stellen van stemmachines door een gemeente aan de actiegroep is volgens de minister niet bij wet verboden. Wel was opgeroepen voor de verkiezingen geen stemmachine aan derden ter beschikking te stellen. De uitgeleende of verkochte stemmachines mogen in ieder geval nooit meer voor een verkiezing worden gebruikt (54). De actiegroep blijft overigens, ook na de antwoorden op de Kamervragen, van mening dat de minister belangrijke kwetsbaarheden van stemcomputers ongemoeid laat. Opnieuw wordt er gewezen op de aantasting van het stemgeheim door middel van straling (55). De actiegroep heeft nog steeds een kort geding op de planning staan maar zal de beslissing daarover nemen na een Algemeen Overleg tussen Kamerleden en de minister over stemmachines.
In dat Algemeen Overleg wordt politiek vertrouwen af en toe gekoppeld aan de betrouwbaarheid van en het vertrouwen in stemmachines (56). De Kamer is blij dat het kabinet ‘eindelijk’ het probleem ziet en ook de projectgroep, die zich na de verkiezingen op de lange termijn moet gaan richten, is welkom. Wel blijven er vragen over de beveiliging van stemmachines, onder andere over het type zegel dat wordt gebruikt en over de kwetsbaarheden van de draadloze modems in de Sdu stemcomputers. De minister vermeldt hierop dat hij de AIVD heeft gevraagd de afluistermogelijkheden te onderzoeken omdat het stemgeheim heel belangrijk is. Hij verwacht snel resultaten, aangezien de AIVD “veel ervaring heeft met afluistermogelijkheden” (56). Kamerleden zijn het niet helemaal eens over de definitie van het probleem, zo vindt Irrgang (SP) dat moderne techniek om moderne beveiliging vraagt en dat daarin het probleem met stemcomputers zit. Collega Spies (CDA) ziet het probleem eerder in de naleving van regels (en dan vooral door de gemeenten). Wel is men het er behoorlijk over eens dat de gerezen twijfels weggenomen moeten worden en dat terugkeren naar papier en potlood geen serieuze optie is. Dat de basis van het democratisch bestel in handen is gelegd van een heel klein groepje, baart sommige Kamerleden zorgen (56). Ook is het verbazingwekkend om te horen dat het lekken van het radiosignaal eerder al in Duitsland is geconstateerd en daar door Nedap is opgelost.
Naar aanleiding van dit Kameroverleg laat de actiegroep weten blij te zijn dat het stadium “absoluut geen probleem met stemcomputers” achter ons ligt, maar dat men hier nog geen aanleiding in ziet om van het voorgenomen kort geding af te zien (57). De actiegroep wil eerst de pijlen nog richten op de Sdu stemcomputer en heeft daartoe een verzoek ingediend bij de burgemeester van Amsterdam. In het verzoek stelt de actiegroep dat je niet kunt vertrouwen op de goedkeuring van stemcomputers door de minister (58). De actiegroep wil de gemeente meer zekerheid geven over de geschiktheid van de Sdu Newvote voor verkiezingen door de toegangsmogelijkheden (vooral via het draadloos modem, daar werkt immers geen zegel tegen) te controleren (58). Dit is een opvallend verzoek, aangezien Sdu een totaaldienst levert waarbij de gemeenten het verkiezingsproces als dienst inkopen en dus ook geen eigenaar worden van de stemcomputers. De actiegroep zou het verzoek dus eigenlijk aan Sdu moeten richten.
Nog geen maand voor de verkiezingen komt minister Nicolaï met een ingrijpende beslissing. Op basis van de resultaten van het AIVD onderzoek heeft hij besloten de goedkeuring voor het gebruik van Sdu NewVote stemcomputers in te trekken (62). De machines zouden te makkelijk af te luisteren zijn waardoor het stemgeheim niet kan worden gewaarborgd. Het betreft ongeveer 10% van de in Nederland gebruikte stemmachines en de maatregel treft 35 gemeenten. Ook heeft de AIVD drie van de vier typen Nedap’s onderzocht en vastgesteld dat deze kunnen worden aangepast zodat zij niet zo ver stralen en niet makkelijk prijsgeven wat er wordt gestemd. Na de verkiezingen zullen steekproefsgewijs enkele honderden Nedap stemmachines worden onderzocht op mogelijk misbruik. Ook worden extra maatregelen genomen die de minister niet wil noemen omdat dat de effectiviteit van de maatregelen teniet kan doen. De minister benadrukt dat er “net zoals dat bij alle voorgaande verkiezingen, geen reden is te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de uitslag van de verkiezingen” (62).
De actiegroep zegt inmiddels wel te geloven dat de minister de aard en omvang van het probleem inziet en ziet af van het kort geding (63). Tevens ziet de actiegroep in dat het doorvoeren van de campagne de organisatie van verkiezingen in de war kan schoppen. Het wordt volgens de actiegroep tijd voor een constructieve discussie over transparante verkiezingen en controleerbare uitkomsten. De democratie is erbij gebaat als we allemaal meekijken (63).
Vlak na dit besluit komt de minister ook nog met de resultaten van het AIVD onderzoek naar het vierde type stemmachine van Nedap. Waar het signaalprobleem bij de andere typen op te lossen viel, geeft het type ES3A1 meer straling dan de aanvaardbare vijf meter en worden de 270 stemmachines van dit type vervangen door de fabrikant (64). Tien van de 35 gemeenten waar de afgekeurde Sdu stemcomputers werden gebruikt, gaan terug naar papieren stembiljetten. Nedap kan niet genoeg stemmachines leveren om de overige 25 te voorzien van stemmachines en ook een aantal van die gemeenten zullen noodgedwongen terug moeten naar papier en potlood.
§ 4.3.2 Analyse van de relatie tussen stemmachines en vertrouwen
Nu het debat is gereconstrueerd kan de houding van de actoren worden geanalyseerd ten opzichte van de relatie tussen vertrouwen en elektronisch stemmen. Eerst wordt de variatie in die houding besproken aan de hand van dezelfde chronologie als in het debat is gehanteerd, vervolgens wordt van de onderzochte actoren de rol geanalyseerd.
De initiële periode van wetgeving en het opnemen van het elektronisch stemmen in Kieswet en Kiesbesluit staat redelijk neutraal ten opzichte van de impact die elektronisch stemmen op vertrouwen zal hebben of vice versa. Wel worden de ontwikkelingen vooral positief gezien en voorziet men nieuwe mogelijkheden met de nieuwe technieken. De verwachte beperking van fraude en fouten zijn een groot voordeel van stemmachines, een hypothetisch foutloos verkiezingsproces kan het vertrouwen in de democratie verstevigen omdat het voorziet in een sterkere legitimering van de politieke autoriteiten. Koudwatervrees bij de burger, zoals de zorgen over de registratie van volgnummers, geeft echter aan dat nieuwe techniek niet door iedereen onmiddellijk wordt vertrouwd.
In de voortgangsrapportages die eind jaren ’90 volgen spreekt een positieve houding over het gebruik van elektronisch stemmen. Klantvriendelijkheid en serviceverlening kan verhoogd worden met elektronisch stemmen en dat kan bevorderlijk werken voor het vertrouwen in deze technieken, het vertrouwen in het stemproces dat van deze technieken gebruik maakt en uiteindelijk kan dit een basaal vertrouwen, zoals de diffuse steun in het systeemmodel (§ 2.1), in de democratie versterken. Stemmachines zijn ingevoerd om de integriteit van verkiezingen te verbeteren. De marktleider op het gebied van stemmachines, Nedap/Groenendaal, wijst dan ook graag op de steeds verschillende uitkomsten die het handmatig tellen van een groot aantal stemmen met zich meebrengt (18). Voor de eeuwwisseling wordt elektronisch stemmen vooral gezien als een elektronische exponent van een stemproces dat niet fundamenteel verandert. Elektronisch stemmen biedt dan vooral voordelen in de vorm van een kleiner aantal fouten, snellere uitslag en nieuwe mogelijkheden om het stemproces in de toekomst verder te vergemakkelijken.
Na de eeuwwisseling komt de discussie echter op gang. De berichtgeving in de media over problemen en vermeende fraude bij Amerikaanse verkiezingen leidt tot brieven van bezorgde burgers. In de eerste paar jaren is het vooral een onderwerp waar enkele individuele burgers zich mee bezig houden. Met de controverse rondom de stemmachines in Ierland, die zijn gefabriceerd door het Nederlandse Nedap, wordt de discussie echt ingezet en bereikt het de politieke arena. Het Ierse ministerie dat zich met het stemproces bezig houdt, blijft bij de lezing dat het invoeren van elektronische stemmen vooral voordelen zal hebben. Door het onderzoeksrapport van Zerflow ontstaat er echter een negatieve houding in Ierland jegens een verkiezingsproces met stemmachines, wat het vertrouwen in het systeem dusdanig schaadt dat er tot op heden nog geen stemmachines worden gebruikt in Ierland. Als de resultaten van het Zerflow rapport ook in Nederlandse media verschijnen, groeit ook in Nederland wat twijfel over de machines. Het feit dat er Kamervragen (2004) worden gesteld, geeft wel aan dat er iets is gaan knagen aan het vertrouwen in de betrouwbaarheid van stemmachines door de signalen vanuit Ierland. Ook de vragen op lokaal niveau geven aan dat de politiek niet onverdeeld achter stemmachines blijft staat, het stellen van vragen is niet bevorderend voor het vertrouwen in een stemproces met stemmachines.
De echte publieke discussie komt in 2006 op gang. Een groep burgers verenigt zich in een actiegroep dat als uitgangspunt heeft dat het huidige stemproces met stemmachines niet controleerbaar en onvoldoende transparant is en daarom moet worden gewijzigd. In het begin blijft de discussie beperkt tot de actiegroep en de fabrikant en ministerie. Deze laatste twee zoeken vooral naar het behouden van een zo groot mogelijk vertrouwen in een stemproces met stemmachines, de actiegroep wil echter zo snel mogelijk van de huidige stemmachines af. De discussie neemt grotere proporties aan als de actiegroep de aandacht van nationale media weet te trekken door in te haken op een Amerikaans onderzoek naar stemmachines. Iets later, in oktober 2006, weet de actiegroep zelf aandacht te genereren doordat zij een stemmachine hebben weten te bemachtigen. Deze stemmachine wordt door hen getest en de uitslag daarvan wordt breed uitgemeten in de media. De media-aandacht voor het onderzoek waarin wordt aangetoond dat stemuitslagen heel anders gerapporteerd kunnen worden dan is gestemd, kan een flinke deuk in het vertrouwen in het systeem slaan en daarmee in het stemproces en daarmee in de democratie. Het op deze manier aan de orde stellen kan het vertrouwen van de burger dus geschaad hebben. Alle aandacht van de actiegroep is erop gericht het elektronisch stemmen in diskrediet te brengen, maar daarmee impliceren ze dat in Nederland kiezers eigenlijk al 15 jaar niet meer kunnen vertrouwen op het stemproces en daarmee wordt het hele stemproces in diskrediet gebracht. Gezien de centrale rol van het stemproces in de democratie kan dit nadelige gevolgen hebben voor het vertrouwen in de democratie en de steun voor de autoriteiten (vooral voor de diffuse steun). De actiegroep houdt wat dat betreft een erg beperkt concept van vertrouwen aan. In een politiek systeem is vertrouwen niet simpelweg het gevolg van een handeling hier of daar, maar is veel dieper werkzaam en veel moeilijker stuurbaar. Het basale vertrouwen in het politiek systeem is van groot belang voor de werking ervan en dat vertrouwen is makkelijk te schaden door de kern van het democratische proces (i.e. de verkiezingen) in een negatief daglicht te plaatsen. Zeker gezien het feit dat dit ‘destructieve’ debat vlak voor Tweede Kamer verkiezingen plaatsvindt, is het risico groot dat aan de vooravond van die verkiezingen grote onduidelijkheid ontstaat over de betrouwbaarheid van het stemproces. De democratie is meer gebaat bij opbouw en behoud van vertrouwen in het systeem en het stemproces dan bij een destructief debat over de stemmethode.
De actiegroep haalt de beroepsorganisatie van IT-auditors (NOREA) aan, om aan te geven dat ze begrijpen dat vertrouwen centraal staat: “zoals ook bij de acceptatie van andere apparatuur en software gaat het bij stemcomputers voornamelijk om "vertrouwen". Daarbij gaat het zowel om feiten als om de perceptie. Ook al werkt het totale systeem feitelijk wel goed, als de perceptie anders is dan is het vertrouwen in het functioneren weg. Het bagatelliseren van technische onvolkomenheden past daar slecht bij" (52).
Nu het debat eenmaal is ingezet en brede aandacht heeft, ‘moet’ de politiek er dus wel iets mee doen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd, politieke partijen en volksvertegenwoordigers maken stemmachines tot een politiek onderwerp. Dit zorgt ervoor dat de actiegroep de regie over het debat begint te verliezen (51). De eerste reactie op het politiseren van het onderwerp is het instellen van extra controle op stemmachines. Het uitspreken van deze controle draagt het idee uit dat bij iedere machine is gecontroleerd of die goed is, dat kan het vertrouwen in het democratisch proces weer versterken. Als een samenleving echter té wantrouwend is en slechts minimaal vertrouwen heeft in de overheid, zou ook dit niet werken. (54)
De tweede politieke reactie op de gevoelens van wantrouwen jegens een stemproces met stemmachines komt in de vorm van het intrekken van een goedkeuring voor Sdu NewVote stemcomputers. De minister benadrukt dat er “net zoals dat bij alle voorgaande verkiezingen, geen reden is te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de uitslag van de verkiezingen” (62). Deze uitspraak ten spijt is het besluit van de minister een nieuwe deuk in het vertrouwen van de kiezer. Het intrekken van de goedkeuring zegt namelijk ook dat de goedkeuringen die in het verleden aan stemmachines zijn gegeven niet kunnen garanderen dat het stemgeheim goed gewaarborgd was bij verkiezingen. Het signaal dat uitgaat van het bericht dat er toch teveel mis was met een stemapparaat terwijl er een ministeriele goedkeuring voor was verleend, is erg negatief voor het vertrouwen in dat apparaat en daarmee voor het stemproces.
Wel is deze stap van de minister voldoende om de actiegroep af te laten zien van een kort geding over stemcomputers. Hoewel het besef over het belang van vertrouwen betrekkelijk laat is gekomen, zal nieuwe voeding voor wantrouwen jegens stemmachines in ieder geval uitblijven tot na de verkiezingen. De actiegroep heeft zich gerealiseerd dat men enkel nog chaos kan oogsten met het kort geding, een werkelijke aanpassing van de stemmethode zou praktisch niet eens uitvoerbaar zijn geweest ook al zou de rechter dat in het kort geding eisen.
In de documentenanalyse is steeds beschreven welke actor betrokken was bij bepaalde stappen, maar het perspectief lag bij het debat. Voor een overzicht wordt hier kort ingegaan op de rol van ieder van de actoren zoals genoemd in § 3.2.
Uitvoerende macht: in de eerste periode neutraal als opsteller van wetten. Toen het debat in de 21e eeuw opkwam heeft de betreffende minister steeds het stemproces met stemmachines verdedigd. Bij het hoogtepunt van het debat in 2006 heeft de minister deze verdediging, onder druk van de actiegroep en vervolgens van de Kamer, losgelaten en maatregelen genomen tegen stemmachines.
Parlement: nam pas vanaf halverwege 2006 actief deel aan het debat. Op een enkele serie Kamervragen na speelde het onderwerp nog geen rol in het parlement. Toen de actiegroep tegen stemmachines aandacht kreeg van de media, namen enkele Kamerleden het onderwerp over en zette de minister onder druk om maatregelen te treffen tegen de controverse rondom stemmachines.
Politieke partijen: speelden eigenlijk alleen een rol als leverancier van Kamer-en raadsleden. Politieke partijen zelf zijn in het debat afwezig geweest en in de partijprogramma’s is vrijwel niets te vinden van een integrale visie op de ontwikkeling van ICT in het democratische proces.
Kiesraad: heeft zich neutraal gehouden op het afzijdige af. De Kiesraad is tijdens het debat in 2006 niet naar voren getreden met een eigen standpunt. Wel heeft de raad in het verleden het stemproces met stemmachines, desgevraagd in brieven, verdedigd.
Actiegroepen en burgers: burgers die het onderwerp wilden bespreken, ondernamen voor 2006 enkel individueel actie in de vorm van een briefwisseling. In de actiegroep tegen stemcomputers wist een groep burgers zich wel te organiseren en de media en internet effectief te gebruiken om hun standpunt uit te dragen. Deze actiegroep is dan ook de belangrijkste aanstichter van het debat dat in 2006 zo krachtig speelde.
Ontwikkelaar en fabrikant van e-voting toepassingen: de grootste leverancier van Nedap/Groenendaal heeft bij monde van Jan Groenendaal gereageerd op de actiegroep. Verder heeft deze fabrikant een groot deel van de stemmachines aangepast zodat het risico van het lekken van gegevens geminimaliseerd werd. Fabrikant Sdu heeft zich in het debat afzijdig gehouden, ook na het intrekken van de goedkeuring voor hun stemcomputer.
Uit het feitenrelaas in § 4.3.1 is duidelijk geworden dat in de discussie rondom stemmachines in Nederland het vertrouwen in de apparatuur gekoppeld werd aan het vertrouwen in het stemproces. In hoofdstuk twee is duidelijk geworden dat het stemproces een belangrijk onderdeel is van het democratische politieke systeem. Het is een vorm van input van de leden van het systeem aan de autoriteiten. Bij de beschrijving van het systeemmodel is aangegeven dat het erg belangrijk is dat deze input goed aankomt en dat burgers het gevoel hebben dat er naar ze wordt geluisterd. Het proces waarin deze input wordt geuit en verwerkt, is dus een uiterst belangrijk proces binnen de democratie. Het goed verlopen van dit proces voorziet in een legitimering van de autoriteiten en daarmee van het democratische systeem, het voorziet in diffuse steun voor het systeem. Als het vertrouwen in de apparatuur schade oploopt, kan dit tot gevolg hebben dat het vertrouwen in het stemproces zelf schade oploopt. Vanwege het grote belang van het stemproces is een gewantrouwd stemproces een zeer serieuze vorm van stress op het politieke systeem. Daarbij moet worden opgemerkt dat deze discussie plaatsvindt in Nederland, waar het vertrouwen in de autoriteiten en de instituties die verkiezingen organiseren groot is. In een systeem waar dat vertrouwen kleiner is, kunnen problemen met stemmachines snel omslaan tot wantrouwen van het verkiezingsproces. De uitkomst van dat proces zal dan minder vertrouwen genieten en daarmee komt de legitimering van de autoriteit die als winnaar uit het verkiezingsproces komt in gevaar.
Stemmachines op zich zijn niet slecht of goed voor het vertrouwen in de democratie, het debat over die stemmachines kan dat wel zijn. De relatie tussen vertrouwen en stemmachines is echter geen eenrichtingsverkeer. Stemmachines kunnen al dan niet bevorderend zijn voor het vertrouwen, maar vertrouwen kan ook een rol spelen in de adoptie van stemmachines. Als autoriteiten en instituties vertrouwenwekkend zijn, dan zullen zij vertrouwd worden in het nemen van passende maatregelen om een stemming goed te laten verlopen. Om deze vertrouwensrelatie in stand te houden neemt Minister Nicolaï maatregelen tegen Sdu stemcomputers. Hiermee gebruikt hij de vertrouwenhebbende status van de Nederlandse overheid. Hij verliest echter een andere kant van de relatie uit het oog; de maatregelen kunnen het wantrouwen jegens stemmachines eventueel hebben gelegitimeerd.
§ 4.3.3 Analyse van het debat vanuit de hypothesen
In § 2.5 zijn een zestal hypothesen opgesteld, afgeleid uit de theorieën die zijn besproken in hoofdstuk twee. Drie van deze hypothesen (nummers één, twee en drie) zijn afgeleid van theorieën die edemocracy als zegen voor de representatieve democratie zien, de andere drie (nummers vier, vijf en zes) zijn afgeleid van theorieën die e-democracy als vloek voor de representatieve democratie zien. Bij de reconstructie en analyse van het debat waarvan het feitenrelaas in § 4.3.1 is weergegeven, is ook gekeken naar de houding van de onderzochte bronnen ten opzichte van ieder van deze hypothesen. In deze subparagraaf zal per hypothese worden beschreven welke houding de bronnen erover uitspreken. Het perspectief is daarbij dat van de hypothesen maar gaat feitelijk om hetzelfde debat. Enige herhaling is daarom soms onvermijdelijk.
Elektronische vormen van democratie vergroten de politieke participatie door hiervoor meer mogelijkheden te bieden en deze mogelijkheden toegankelijker te maken.
Een veelgenoemd voordeel van het inzetten van stemmachines bij verkiezingen is de snelle bekendmaking van de uitslag (17,25). Een snellere uitslag is niet direct participatieverhogend maar draagt wel bij aan een betere serviceverlening richting de kiezer. Het verder automatiseren van verkiezingen kan wel drempels wegnemen door het proces te vergemakkelijken en snellere en nauwkeurigere uitslagen te bieden (19). Hiervoor lijken wel nieuwere technologieën nodig dan in dit hoofdstuk zijn besproken. Stemmachines worden namelijk voornamelijk gezien als een hulpmiddel in een stemproces dat er verder niet echt door verandert (1). Maar met bepaalde extra toepassingen kunnen ook stemmachines een hogere participatie tot gevolg hebben, visueel gehandicapten kunnen bijvoorbeeld zelfstandig stemmen met stemmachines die audio-ondersteuning bieden (18).
Ontwikkelingen in het electorale proces die gefaciliteerd worden door elektronische hulpmiddelen kunnen wel de opkomst wat verhogen. Mogelijkerwijs biedt ICT extra mogelijkheden voor het houden van meerdere verkiezingen tegelijkertijd (13). Als men een verkiezing met een gebruikelijk lage opkomst combineert met een verkiezing waar een groter aantal kiezers opkomt, kan dit een positief effect hebben op de opkomst bij de eerstgenoemde verkiezing (8). Wijzigingen in het kiesstelsel, zoals bijvoorbeeld het invoeren van een gekozen burgemeester of het houden van referenda kunnen door elektronisch stemmen worden vergemakkelijkt (2,23). Een methode zoals het elektronisch gefaseerd stemmen, waarbij eerst voor een lijst wordt gekozen en vervolgens een keuze tussen de kandidaten op die lijst wordt geboden, voorziet in mogelijkheden tot het uitbreiden van het aantal deelnemende politieke groeperingen bij een verkiezing (2). Het vergroot dus de capaciteit van het stemsysteem (8). Deze ontwikkelingen kunnen echter wel een verdere evolutie van de stemmachine vereisen. De stemmachines van Nedap/Groenendaal bijvoorbeeld bereiken (zonder aanpassingen) het ‘plafond’ bij twee gelijktijdige stemmingen (23). Een voordeel dat stemmachines nu al bieden is de afname van het aantal ongeldige stemmen; in 1979 was 1 % van de uitgebrachte stemmen ongeldig, in 2003 was dat nog slechts 0,13 % (59).
Negatieve berichtgeving omtrent stemmachines kan echter participatieverlagend werken. Als burgers het idee hebben dat de kwaliteit van stemmachines slecht is dan zal dat een negatief effect hebben op het imago van de verkiezingen, wat op zijn beurt weer een negatief effect kan hebben op de opkomst (15). Zo zou bijvoorbeeld de oproep van de actiegroep, niet te gaan stemmen met stemmachines maar naar gemeenten te gaan waar men met potlood werkt, kunnen aanslaan. Een aantal mensen zou de extra moeite die het kost om naar zo’n gemeente te reizen niet willen opbrengen. Zij zouden dan niet gaan stemmen. Ook negatieve berichten uit Amerika zetten het stemmen met elektronische hulpmiddelen in negatief daglicht (30). Extra controle op dit stemproces door bijvoorbeeld een paper trail in te voeren, zou de tijd die het uitbrengen van een stem duurt vergroten, met langere wachtrijen tot gevolg. Ook die langere wachtrijen kunnen de opkomst bedreigen (14,18).
Nieuwere ontwikkelingen zoals internetstemmen, waarvoor een actiegroep in het verleden duizend handtekeningen wist te verzamelen, geniet het vertrouwen van een behoorlijke groep (13,37). Volgens onderzoek zal het invoeren ervan de opkomst echter niet verhogen (13).
Concluderend kan over deze hypothese worden gezegd dat de huidige ontwikkelingen op het gebied van elektronisch stemmen vooral een bestaand proces moderniseren zonder dat proces echt te wijzigen. Deze modernisering kan op bepaalde punten een grotere participatie van burgers faciliteren, zoals het ondersteunen van stemmen door visueel gehandicapten of het vergemakkelijken van meerdere stemmingen tegelijkertijd. Een aantal punten zou echter ook middels stembiljetten kunnen geschieden, zoals het houden van meerdere stemmingen tegelijkertijd. Het stemhokje is ‘ouderwets’ (4). Toch zijn veel van de overwegingen die voor stemmachines worden gemaakt overeenkomstig met overwegingen die voor stembiljetten gelden, het lijkt dan ook alsof stemmachines niet veel meer zijn dan een elektronisch stembiljet (7,18). Participatie kan dus wel wat worden vergroot met huidige technieken, maar meer dan moderne hulpmiddelen bij een ‘oud’ proces zijn dit niet.
Informatie en communicatie technologieën vernieuwen en versterken het democratische proces.
Elektronisch stemmen wordt gezien als progressieve en welkome modernisering van het electorale proces (17). Lange teltijden zijn voorbij, stemmachines kunnen snel duidelijkheid geven. De uitslagen van alle stembureaus kunnen snel en overzichtelijk worden gepubliceerd in de media en op internet (44). Handmatig tellen leidt tot steeds verschillende uitkomsten, met het gebruik van stemmachines kan de integriteit van het stemproces worden verbeterd (18). Ook als deze (en andere e-democracy-) ontwikkelingen niet participatieverhogend werken, zijn ze het toch waard om te blijven volgen aangezien deze technische ontwikkelingen het stemproces kunnen vereenvoudigen en daarmee de service aan de kiezer verhogen (13). Ontwikkelingen als internetstemmen of het creëren van een virtueel stemlokaal bieden nieuwe mogelijkheden. Zover zijn we in Nederland echter nog niet; niet iedereen is voorstander van dergelijke ontwikkelingen en er zijn voorzieningen nodig, onder andere in de wet, die momenteel niet worden geboden (13,18).
Elektronisch stemmen, al dan niet gefaseerd, maakt het mogelijk dat meer partijen deelnemen aan verkiezingen zonder dat dit ten koste gaat van de overzichtelijkheid van stemlijsten (2). Wel kunnen ontwikkelingen in het kiesstelsel nieuwe eisen gaan stellen aan stemmachines, op de Nedap/Groenendaal stemmachine bijvoorbeeld is er een fysieke beperking van ongeveer 1000 knopjes, dus een beperking tot een even groot aantal kandidaten (14). Ook moeten machines snel worden omgeschakeld als er snel een nieuwe stemming volgt op de eerste, zoals het geval kan zijn bij een burgemeesterverkiezing met twee ronden (23). Met de juiste analysesoftware valt overigens wel interessante informatie over kiesgedrag vast te stellen, in Duitsland kan de software bijvoorbeeld de relatie tussen de 1e en 2e stem in kaart brengen.
Negatieve berichtgeving omtrent stemmachines heeft ook voor deze hypothese implicaties. De actiegroep tegen stemcomputers noemt deze e-democracy ontwikkelingen op zijn best een nonoplossing voor een non-probleem (23). Zij waarschuwen ervoor dat (blind) vertrouwen in ICT risico’s met zich mee brengt. Groenendaal is het daar niet mee eens en denkt dat zijn organisatie de verkiezingsorganisatie goede diensten heeft bewezen en dat zal blijven doen (37). De actiegroep verwacht echter dat de politiek schoon schip gaat maken na de Kamerverkiezingen in 2006, wat hen betreft komen er niet meer mogelijkheden voor ICT in het democratische proces (42,63). De reacties van de politiek op deze kritiek getuigt vooral van een soort incidentenpolitiek waarin fundamentele vragen over de versterking en vernieuwing van de democratische politiek geen rol lijken te spelen (40). Wel is er op Europees niveau een breder gesprek over de mogelijkheden van elektronisch stemmen en hier wordt gezamenlijk verder aan gewerkt (20,36).
Het toepassen van informatie en communicatietechnologie ter versterking van de democratische politiek vereist vooral een visie daarop van politici. Om het democratische proces te vernieuwen moet er de wens daartoe en de wilskracht zijn bij beleidsmakers en volksvertegenwoordigers. Als men enkel reageert op kritiekpunten en geen visie op toekomstige mogelijkheden ontwikkelt, dan kan versterking van de democratie slechts een bijwerking zijn van nieuwe ontwikkelingen. Elektronische vormen van democratie bieden vooral mogelijkheden om het kiesproces klantvriendelijker te maken. Door tal van kleine toepassingen kan e-democracy extra service aan de kiezer bieden, waardoor ook grotere stappen in het kiesstelsel binnen handbereik komen.
Informatie en communicatie technologieën maken meer ‘directe’ democratie mogelijk.
De mogelijkheid tot het organiseren van meerdere verkiezingen tegelijkertijd, maken het uitvoeren van referenda en andere uitbreidingen van de invloed van de kiezer mogelijk (2). Het gebruik van stemmachines bij een referendum levert geen problemen op, zoals is gebleken bij het referendum over het Europees Grondwettelijk Verdrag (23). Eerder al combineerden verschillende gemeente de lokale verkiezingen met provinciale verkiezingen, ook dat heeft in praktijk goed gewerkt.
De actiegroep noemt “staatkundige hervormingen”, inclusief directe democratie, volstrekt ondergeschikt aan het belang van een controleerbare uitslag (32). Ter geruststelling van de actiegroep kan worden geconcludeerd dat elektronische vormen van democratie eigenlijk alleen stemprocessen automatiseren die evengoed met stembiljetten mogelijk zouden zijn. Directe democratie, of stappen in die richting, lijken dan ook niet gekoppeld aan de beschikbaarheid van de technologie. Directe democratie zal moeten komen vanuit politieke actoren met ontwikkelingen in de kern van de democratie en niet ontstaan op basis van technologische ontwikkelingen. In het debat over stemmachines is in ieder geval geen beweging te ontdekken die de hypothese ondersteunt.
Elektronische vormen van democratie verkleinen de transparantie en controleerbaarheid van het stemproces waardoor burgers in een wantrouwende samenleving niet meer op een goede afhandeling zullen vertrouwen.
De officiële lezing bij elektronisch stemmen is dat de methode minder gevoelig is voor fraude dan bij stemmen met stembiljetten (2). Ook is de kans op telfouten geminimaliseerd; bij het tellen van grote hoeveelheden stembiljetten leidt het hertellen altijd tot verschillende uitkomsten (18). Hoewel de kans op fraude bij stemmachines kleiner is, zijn de gevolgen van technische manipulatie veel groter en daar moeten maatregelen voor worden genomen. Men moet erop vertrouwen dat het deel van het proces dat buiten het zicht plaatsvindt in goede orde verloopt (3). Bij de wijziging van het Kiesbesluit inzake het stemmen door middel van stemmachines worden de keuringscriteria ‘streng’ genoemd, er mag dan ook vanuit worden gegaan dat stemmachines geen fouten maken bij het tellen en afdrukken (8).
Een stemmachines is voor de kiezer een black box in de zin dat een individuele burger niet met eigen ogen het hele proces kan volgen. De werking van de stemmachines is getest maar niet waarneembaar. Door het gebrek aan kennis over de werking van de machines worden problemen al snel daaraan geweten, zoals ook gebeurde bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1998. De problemen die zich toen voordeden werden ten onrechte aan de stemmachines toegeschreven (11). Het probleem zat in de uitslagverwerkingsoftware (die overigens niet gekeurd hoefde te zijn). Dat men toch het idee kreeg dat het bij stemmachines zat, geeft aan dat de techniek voor velen ‘één pot nat’ is. Zoals in § 4.3.1 naar voren is gekomen, is in de 21e eeuw de kritiek op elektronisch stemmen toegenomen. De bezwaren spitsen zich al jaren vooral toe op de controleerbaarheid van het stemproces (15,16). De eisen die aan de goedkeuring van stemmachines worden gesteld en de black box testen (dus functionele testen) geven de overheid weliswaar voldoende vertrouwen, maar zodra signalen in de media komen dat de functionaliteit ongemerkt kan afwijken is dit vertrouwen bij kiezers niet meer zo vanzelfsprekend (19,20,21,22,30). Het achterlaten van een paper trail zou volgens sommigen de controleerbaarheid kunnen vergroten doordat een fysieke hertelling mogelijk wordt en dit eventueel steekproefsgewijs zou kunnen (25,32). Een hertelling met behulp van stemmachines is immers niet zinvol, de uitkomst zal hetzelfde zijn (27,29).
Klachtbrieven van burgers geven aan dat vooral personen die om de een of andere reden de politiek wantrouwen, aanleiding vinden om openheid en controleerbaarheid van het stemproces te eisen (30). Wantrouwen door misstanden in Amerika zijn ook een aanleiding om de fraudebestendigheid van elektronisch stemmen in twijfel te trekken. De actiegroep wijvertrouwenstemcomputersniet.nl speelt hier handig op in door te stellen dat bijna overal in Nederland wordt gestemd met computers die niet zijn beschermd tegen moedwillige manipulatie (32). Een aantal politieke fracties heeft dit signaal opgepikt en de vermeende problematiek rondom stemmachines gepolitiseert (39,43,44,45,51). De politieke reactie hierop is serieus, men wil controleerbaarheid bieden door openbare protocollering. Op de lange termijn moet het proces nog transparanter worden gemaakt voor de burger (54). Tevens is het een overweging om de broncode te deponeren bij de Kiesraad (56). Wel blijft vertrouwen in het proces nodig omdat een uitkomst niet onafhankelijk van de betrokken partijen kan worden vastgesteld (48).
Van wat meer afstand bekeken wordt er erg fel gereageerd en omgesprongen met de hypothetische problematiek rondom stemmachines. Buiten de waarborgen, het testen en de goedkeuring is fraude zelf namelijk niet bepaald eenvoudig. Enkel medewerkers van de producenten van stemmachines hebben toegang tot de apparaten voordat deze naar de gemeenten gaan. De Nedap stemmachines zijn echter eigendom van de gemeenten en zolang de apparaten nog bij de fabrikant staan zijn de kandidatenlijsten onbekend en is het manipuleren van de software zinloos. De toewijzing van keuringsinstellingen is openbaar (34). De broncode is dat echter niet, omdat daar intellectueel eigendom op rust (35). Groenendaal erkent dat er enigszins een punt zit in het bezwaar dat de broncode niet openbaar beschikbaar is. Overigens zouden maar weinig mensen iets met die openbaarheid kunnen aangezien je specialistische kennis moet hebben om het goed te kunnen lezen (37). Groenendaal ziet eerder een voordeel in het gegeven dat een kleine groep experts betrokken is bij de ontwikkeling, je weet dan waar te zoeken als er iets misgaat.
De roep om transparantie en controleerbaarheid gaat vaak vergezeld met de opmerking dat het proces nu ongetwijfeld goed verloopt maar dat er ook eerlijke verkiezingen moeten kunnen plaatsvinden als de regering dat niet is. Daar zit inderdaad het punt. In een samenleving zoals de Nederlandse op dit moment, vormen onafhankelijke keuringen en controle door experts en betrokkenen een goede waarborg tegen fraude. In een samenleving die beheerst wordt door wantrouwen jegens alles en iedereen, zal men ook niet op deze waarborgen vertrouwen waardoor er een blind vertrouwen in de techniek zelf nodig is. Dat is op zich niets nieuws, de democratie valt of staat bij vertrouwen en steun van burgers. Bij een chronisch gebrek aan die steun houdt het systeem langzamerhand op een democratie te zijn. De uitslag van verkiezingen met stemmachines is veel moeilijker te manipuleren dan die van papieren verkiezingen. De organisatie rondom het stemproces blijft echter hetzelfde: verkiezingen blijven mensenwerk. Bij gebrek aan vertrouwen in die mensen kan men inderdaad niet meer in een goede afloop vertrouwen, maar zoals velen inwoners van dictaturen kunnen bevestigen: bij het gebruik van stembiljetten is dat niet anders.
De actiegroep geeft op haar website, misschien per ongeluk, ook al aan dat haar argument beter past in een andere samenleving dan in de onze, door ‘de communist’ te citeren: “vertrouwen is goed, maar controle is beter” (32).
Traditionele gatekeepers verliezen terrein aan nieuwe gatekeepers die de oorspronkelijke rollen met behulp van informatie en communicatie technologie transformeren.
Bij de beschrijving van het systeemmodel, in hoofdstuk twee, is de rol van gatekeepers aan bod gekomen. In datzelfde hoofdstuk is naar voren gekomen dat onder druk van ICT de rol van de traditionele gatekeeper wel eens zou kunnen veranderen. Bij het bronnenonderzoek naar het debat rond stemmachines in Nederland, is gelet op de rol die traditionele gatekeepers spelen. De rol die traditionele gatekeepers vooral vervullen bij het verkiezingsproces is die van regisseur.
In het debat over stemmachines lijken traditionele gatekeepers de regie echter kwijt te raken aan de actiegroep en de media. Berichten in de media, van de actiegroep of vanwege problemen in het buitenland, zijn aanleiding geweest voor reacties van de politiek (10,43). Ook heeft het ministerie snel toenadering gezocht tot de actiegroep om met hen te overleggen, ze namen de actiegroep serieus (41). Doordat de politiek zich richtte op de punten die de actiegroep of de media aandroegen, is de politiek de regie over het debat even kwijtgeraakt. De kritiek van de actiegroep werd, voornamelijk op lokaal niveau, soms klakkeloos overgenomen (43). De actiegroep zelf noemt het ook jammer dat zoiets belangrijks als de toetsing van stemmachines en het publiek maken van problemen daarmee, moest gebeuren door onderzoekers die zo’n ‘geheim’ apparaat te pakken konden krijgen (48). De grote landelijke politieke partijen brachten in hun Kamervragen meer nuance en ruimte voor constructieve oplossingen en vanaf dat moment raakte de actiegroep de regie weer langzamerhand kwijt aan de politiek (51,54). Hoewel het vraagstuk dus een tijd lang in handen is geweest van de actiegroep en de media, heeft de politiek het zich nu weer goeddeels toegeëigend.
Kamervragen over dit onderwerp snijden echter ook een bredere rolverschuiving aan (56). Private partijen hebben de verkiezingen feitelijk in handen en ook de controle gebeurt door derden. De vraag is wat de rol van de overheid nog is. De basis van het democratisch bestel is in de handen gelegd van een heel klein groepje experts, deels van buiten de overheid. De controle door een onafhankelijke partij is weliswaar van groot belang, maar een onafhankelijke private partij kan worstelen met commerciële belangen. Om de regie over het stemproces weer terug te brengen bij de autoriteiten, moet informatie zoals de broncode in ieder geval terecht komen bij een onafhankelijke publieke organisatie, zoals de Kiesraad (56).
Het toenemende belang van informatie en communicatie technologie leidt tot een segregatie tussen de informatierijken en informatiearmen (een digital-divide).
Een onderzoek naar elektronisch stemmen stelt niet echt in staat om iets te zeggen over de gebruikelijke digital divide, namelijk de kloof tussen mensen die veel informatie hebben en mensen die dat niet hebben. Wel zijn er andere ‘digitale kloven’ naar voren gekomen in dit onderzoek. De eerste is die tussen ‘jong’ en ‘oud’. Volgens de Kieswet (art. J28) is hulp bij stemmen toegestaan als dat wegens lichamelijke gesteldheid nodig is, mensen die moeite hebben met de techniek kunnen zich eigenlijk enkel verlaten op de handleiding van stemmachines. Bij verkiezingen met stemmachines blijken vooral ouderen problemen te hebben met de techniek en, in het geval van het gefaseerd stemmen, met de methode (2,5,6). Bejaarden en lichamelijk gehandicapten hebben soms extra begeleiding nodig bij het gebruik van stemmachines, alhoewel bij lichamelijk gehandicapten eerder de hoogte problematisch is dan de techniek (14). Van stemmachines wordt wel geëist dat deze gebruikersvriendelijk zijn, maar het zou kunnen zijn dat ouderen zich schamen als ze niet snappen hoe de machine werkt en het daarom niet aangeven (15). Dat computers ouderen kunnen afschrikken wordt impliciet ook bevestigd door Groenendaal, hij noemt de apparaten namelijk bewust ‘stemmachines’ in plaats van stemcomputers omdat dat drempelverlagend zou werken (37).
Naast een kloof met ouderen komt er ook een tweede kloof naar voren in de analyse. Deze tweede kloof is die tussen de overheid en technische experts. De Kiesraad heeft in de aanloop tot wetgeving rondom stemmachines al aangegeven dat het ministerie zelf niet beschikt over de expertise die nodig is om stemmachines te kunnen keuren (19). Dit blijkt ook wel uit de formulering van de softwaretesten in de regeling die de goedkeuring van stemmachines regelt. Daar zit zelfs een vraag in over de betekenis van een bepaalde test (9). De leveranciers van stemmachines hebben deze kennis wel in huis, terwijl de overheid een onafhankelijke partij (TNO spin-off Brightsight in dit geval) moet inschakelen om te keuren. Dat deze kloof een probleem kan opleveren, blijkt uit de afhankelijkheid bij het stemproces van de leverancier; enkel die leverancier weet precies wat er in de broncode staat. De overheid heeft zelf niet de kennis in huis om de taken van Groenendaal zomaar over te nemen als hij zijn werkzaamheden stopt (24). Dit is een gevolg van het aan de markt overlaten van verkiezingsdiensten. Doordat de softwaremarkt voor uitslagverwerking ongeveer verzadigd is, kan men er ook niet op rekenen dat nieuwe private partijen de ondersteuning overnemen.
De advocaat van de actiegroep stelt dat overheid en burgers gelijke kennis moeten hebben van de techniek van het stemmen (50). De overheid heeft hier echter ook geen volledige kennis van en moet zich vertrouwen op derden (of op onderzoek van de AIVD) om te bepalen of de stemmachines voldoen aan de democratische waarden.
Vanuit deze bevindingen over de hypothesen en de centrale vraagstelling, in de vorige subparagraaf, is de beschouwing en de analyse van het Nederlandse debat over stemmachines compleet. In het volgende hoofdstuk wordt met meer afstand naar dit debat gekeken, naar wat het debat in bredere zin zegt over de verhouding tussen vertrouwen en e-democracy en wat dit voor de toekomst inhoudt.
"You cannot conceive the many without the one."
-Plato -Dialogues, Parmenides
§ 5.1 Concluderende reflectie op het debat
Op basis van de analyse en hypothesen zijn een aantal conclusies te trekken. In deze paragraaf worden eerst de bevindingen beschreven die specifiek voor Nederland opgaan. De probleemstelling is echter voortgekomen uit een debat dat veel breder speelt dan in Nederland alleen. Politiek scepticisme en technologische vernieuwing zijn beiden onderwerpen die op een veel globaler niveau spelen dan in Nederland alleen. Daarom wordt ook gekeken naar de implicaties van de bevindingen voor de representatieve democratie, veel breder dus dan Nederland alleen.
Het debat in Nederland heeft jaren gesluimerd maar is aan het begin van de 21e eeuw echt losgebarsten. De discussie, deels maatschappelijk maar vooral politiek, werd aangewakkerd door externe ontwikkelingen. Eerst was er veel (media) aandacht voor de vermeende verkiezingsfraude in de Verenigde Staten. Toen kwam het onderzoek en de publicaties over beveiligingsproblemen met stemmachines in Ierland, die door de Nederlandse leverancier Nedap/Groenendaal ontwikkeld zijn. Daarna de introductie van die problematiek door Nederlandse media, dat leidde in 2004 tot vragen in de Kamer en gemeenteraden. De vragen werden vooral door de politiek gesteld. Het debat werd snel door traditionele gatekeepers opgepikt maar heeft in 2004 niet tot grote discussie geleid. Schijnbaar is het onderwerp wel doorgesluimerd. Het debat kwam in 2006 versterkt terug, groter opgezet dan eerder en met een sterkere organisatie erachter. Deze organisatie had zowel de kennis, de financiële en technische middelen als de tijd om het debat sterk in te zetten. Zij baseerden zich op een ontwikkeling van protest tegen elektronisch stemmen in diverse landen, vooral in de Verenigde Staten. Hoewel traditionele gatekeepers het debat konden overnemen en in politieke banen leiden, heeft het debat een veel bredere maatschappelijke impact gehad dan de eerdere discussie over dit onderwerp. Het succes van de actiegroep tegen stemmachines om hun onderwerp in een brede discussie om te zetten is mede te danken aan de media die een belangrijker rol zijn gaan spelen in het uiten van eisen en het plaatsen van onderwerpen op de politieke agenda. Niet alleen traditionele media zoals televisie en dagbladen hebben een bijdrage geleverd aan het nationale niveau dat dit debat heeft gekregen, ook is een belangrijke rol weggelegd voor de website van de actiegroep. Met die website heeft de actiegroep een platform gecreëerd dat heeft bijgedragen aan het succes van hun campagne. Het is dan ook door deze succesvolle toepassing van zowel traditionele als nieuwe media dat deze campagne in een half jaar meer succes heeft gehad dan het debat in de jaren ervoor. Vooral het bemachtigen van een stemmachine om te testen en het breed onder de aandacht krijgen van de uitslagen in de nationale media, heeft de campagne vleugels gegeven. De actiegroep heeft de kaarten zo uit weten te spelen dat de politiek er maximaal op reageert. Eerdere aanklachten over elektronisch stemmen misten zowel de organisatiegraad als de media-aandacht. In de tijdslijnen (figuren 4.1 en 4.2) is dan ook duidelijk te zien dat er in geen enkele periode in de afgelopen decennia zoveel te doen is geweest rondom stemmachines dan tijdens de campagne van deze actiegroep.
Het succes van de campagne tegen stemmachines is dus te danken aan het effectief inzetten van nieuwe en traditionele media en het inspelen op een wantrouwen jegens stemmachines dat is aangewakkerd door berichtgeving over problemen in andere landen. Een deel van het succes is echter ook te danken aan het feit dat de overheid geen ICT expert is. Er is vrij laat gereageerd op de actiegroep en het had onvoldoende weerwoord. Onder druk van een zeer kritisch onderzoek naar de Nedap stemmachine en het gegeven van naderende verkiezingen, werd gekozen voor ingrijpende maatregelen. Een les die hieruit in ieder geval geleerd moet worden, is dat ook de overheid zichzelf de essentiële informatie over het stemmen met stemmachines eigen moet maken. Het ontbreken van die relevante informatie bij de overheid brengt risico’s met zich mee. Een van de risico’s ligt bij de software. Vrijwel alle gemeenten gebruiken software voor de verwerking van uitslagen van verkiezingen. Als de ondersteuning van deze software wegvalt, kan dit tot de onwenselijke situatie leiden dat de uitslag van verkiezingen niet meer met de vertrouwde software is vast te stellen. En dat is de situatie waar Nederland op af stevent met het naderende pensioen van Jan Groenendaal, de ontwikkelaar van deze software. Het proces overlaten aan de vrije markt is niet voldoende. Je kunt als overheid niet het risico lopen dat verkiezingen in de problemen raken omdat de marktpartijen geen brood zien in die verkiezingen. De continuïteit van het verkiezingsproces is een verantwoordelijkheid van de overheid. Daarom moet die overheid ervoor zorgen dat ze de informatie en kennis beschikbaar heeft om die continuïteit te waarborgen. Het onderbrengen van die informatie en kennis bij een onafhankelijke en publieke organisatie (zoals de Kiesraad) stelt de overheid in staat in te kunnen staan voor de continuïteit van het stemproces met stemmachines.
De overheid vertrouwt nu op TNO voor ICT expertise. Maar TNO is een grote organisatie met ook commerciële belangen. Het feitelijk keuren van stemmachines is daarom ondergebracht bij spin-off Brighsight. Ondanks dat goedkeuring is gegeven aan stemmachines op basis van een test van TNO, heeft de minister de AIVD ingeschakeld om extra tests uit te voeren. Op basis van die tests is besloten dat bepaalde stemmachines niet zonder aanpassingen mogen worden ingezet bij verkiezingen. Bewaking van die goedkeuring van stemmachines door de overheid zelf, is dan ook geen overbodige luxe.
Het centrale argument van de actiegroep is dat de techniek achter elektronisch stemmen niet te controleren is. Maar het gegeven is dat die techniek wel volop wordt gebruikt in het stemproces. De vragen rondom de betrouwbaarheid in combinatie met het idee dat vertrouwen in de democratie begint met vertrouwen in het stemsysteem, geeft aan dit dat het vertrouwen in de democratie in gevaar komt bij het gebruik van een onbetrouwbaar stemsysteem. Nu is het niet zo dat de techniek daadwerkelijk niet te vertrouwen is gebleken, maar het is wel moeilijk te controleren. Als er wantrouwen over de techniek wordt gezaaid, valt er weinig vertrouwen uit controleerbaarheid te halen om daar tegenover te zetten. Daarom is het creëren van dit wantrouwen in het stemsysteem een bedreiging voor het vertrouwen in de democratie. De maatregelen van minister Nicolaï in 2006 hebben het wantrouwen in stemmachines en daarmee in het stemproces met behulp van die machines, deels gelegitimeerd. Een vertrouwenwekkende overheid moet duidelijk stelling nemen voor de oplossing die zij kiest, anders kan de burger zich niet eens richten tot die overheid als men twijfelt aan het systeem.
Conclusie: stemmachines op zich zijn niet slecht voor het vertrouwen in de democratie, het debat over die stemmachines heeft die potentie echter wel.
De laatste conclusie geldt natuurlijk niet alleen voor Nederland. Vertrouwen wordt geschaad door het creëren van een negatieve perceptie over het functioneren van elektronische hulpmiddelen in de democratie.
Er is een absoluut basaal vertrouwen in de instituties nodig want wantrouwen is snel gezaaid. Zeker in technieken waarvan niet volledig transparant is hoe ze precies werken. Onbekend maakt onbemind als er geen vertrouwen is in de drijvende krachten achter het ‘onbekende’. Vanwege de complexiteit van technologische toepassingen in de democratie en de expertkennis die nodig is om die technologie te doorgronden, is vertrouwen in de instituties die deze technologie inzetten eens te meer noodzakelijk. Vertrouwen in apparatuur van e-democracy varieert dus met het politiek vertrouwen in het algemeen. Vertrouwen in de autoriteit is nodig om burgers vertrouwen te geven in een proces dat zij zelf niet stap voor stap kunnen controleren. Als dat basale vertrouwen er is, dan kan het de adoptie van e-democracy bevorderen doordat wantrouwen minder kans krijgt.
Deze vertrouwensoverwegingen gelden eigenlijk niet alleen voor elektronische vormen van democratie. Een stemproces met papier en potlood is voor de burger ook niet helemaal te overzien en te volgen. Een gebrek aan vertrouwen in de autoriteiten zal ook daar problemen op kunnen leveren. Een goed voorbeeld daarvan is te vinden bij verkiezingen in de VS. Daar staan bij verkiezingen direct juristen van de verliezende partij klaar om te kijken welke mogelijkheden er zijn om de stemuitslag aan te vechten. Het is die strijd die het vertrouwen van mensen in de democratie en in de technologische hulpmiddelen daarvan schaadt. Dat geldt dus niet alleen voor stemmachines, maar ook voor papier en potlood en andere (mechanische) technieken (bij de vermeende verkiezingsfraude in Florida in 2000 betrof het bijvoorbeeld ponskaartsystemen). Vandaar ook dat de opmerking van de Ier in de inleiding (‘the people do not trust the government’) de spijker op z’n kop slaat waarom daar stemmachines aan de kant zijn gezet. Zonder vertrouwen in de overheid is er geen vertrouwen in de activiteiten van die overheid. Uiteindelijk blijven verkiezingen een kwestie van mensenwerk. Mensen maken fouten en machines kunnen daar een oplossing voor bieden. Geen democratie of verkiezing is echter voor honderd procent beveiligd tegen fraude, ook dat is immers mensenwerk.
Nieuwe technologische ontwikkelingen brengen dan ook in feite niet echt iets nieuws voor de democratie. Meestal ondersteunen nieuwe technieken, processen die zonder ICT ook mogelijk zouden zijn. ICT kan de democratie echter wel faciliteren. De relevantie van fysieke aanwezigheid, geografische positie en tijd wordt kleiner. Een belangrijke toepassing van ICT in het democratische proces is dan ook het ondersteunen van de democratie. Klantvriendelijkheid en service aan de burger kan met behulp van ICT worden verhoogd. Snelle uitslagen en stemmen met een druk op de knop horen bij deze service. Grote democratische ontwikkelingen, zoals elektronische directe democratie, kunnen enkel ontstaan vanuit een directe democratie. Het elektronische onderdeel is slechts een middel om het makkelijk te maken en geen democratische ontwikkeling opzich, het is een hulpstuk daarbij.
Traditionele gatekeepers geven hun rol in de democratie niet makkelijk op en hoeven dat ook niet. Als gatekeepers inspelen op technologische ontwikkelingen en nieuwe media aanwenden om hun eigen verhaal te vertellen, dan kunnen ze die ontwikkelingen zelfs gebruiken om hun eigen rol te versterken. In hoofdstuk drie zijn een aantal initiatieven besproken die aangeven dat traditionele actoren in de democratie ook de weg naar nieuwe media inmiddels weten te vinden. De enorme populariteit van bijvoorbeeld de Stemwijzer geeft aan dat de burger op zoek is naar politieke informatie op internet. Hier liggen dan ook kansen voor alle traditionele actoren om de burger beter te bereiken.
Naast alle overwegingen die met democratische factoren te maken hebben, spelen ook kosten een belangrijke rol. Stemmachines worden bijvoorbeeld vaak ingezet met de motivatie dat zij kosten besparen en uit de analyse blijkt dat dit inderdaad het geval kan zijn. Wel is dit afhankelijk van het gekozen model, in Nederland bijvoorbeeld worden gemeenten eigenaar van Nedap/Groenendaal machines. Nedap/Groenendaal levert na aanschaf nog de ondersteuning, maar de apparatuur is een eenmalige (hoge) kostenpost. Naarmate er meer verkiezingen worden gehouden met deze apparatuur zullen de kosten per verkiezing dalen. Bij het model van het Sdu stemsysteem kopen gemeenten echter een dienst in, de apparatuur blijft eigendom van de fabrikant. Daarmee blijft het elektronisch stemmen een constante kostenpost en besparing kan enkel worden bereikt door andere maatregelen, zoals het verkleinen van het aantal kiesdistricten.
§ 5.2 E-democracy: zegen of vloek, bij wijze van antwoord
Een documentenanalyse leidt niet tot harde antwoorden in de vorm van een ‘waarheid’. Wel kunnen inzichten worden verworven die uiterst interessant en bruikbaar zijn, die een toegevoegde waarde hebben voor het debat over dit onderwerp. Om die inzichten te structureren wordt teruggekeerd naar de centrale vraagstelling en hypothesen. De centrale vraag luidde: is e-democracy een oplossing of een verergering van het probleem: de kloof tussen burger en overheid? Het lange antwoord op deze vraag wordt gevormd door hoofdstukken twee, drie, vier en vijf. In deze paragraaf wordt, op basis van die hoofdstukken, een kort antwoord geformuleerd. Tevens krijgen ook de hypothesen een korte reflectie aan de hand van de gevonden informatie. Op basis van die reflecties worden overwegingen gegeven voor het vervolg van het Nederlandse debat over stemmachines.
Is e-democracy een oplossing of een verergering van het probleem: de kloof tussen burger en overheid?
Het antwoord op deze vraag is duidelijk complexer dan ‘het is een oplossing’ of ‘een verergering. In hoofdstuk twee is een samenvatting gegeven van theorieën die één van beide antwoorden ondersteunen. Maar vooral wordt duidelijk dat e-democracy vooral een rol speelt als hulpmiddel in het democratisch proces. Toepassingen van ICT in de democratie kunnen bestaande democratische processen vergemakkelijken en verbeteren, maar vormen op zich geen versterking of verzwakking van het vertrouwen van de burger in de overheid. Wel worden nieuwe toepassingen mogelijk. De bijdragen van ICT aan het stemproces zijn vaak klein, zoals het bieden van audio-ondersteuning voor visueel gehandicapten en het verhogen van de klantvriendelijkheid en service aan de burger, althans voor de burger die gebruik maakt van zijn stemrecht. Voor deze en bredere toepassingen van ICT in het democratische proces is vooral een vertrouwensbasis nodig en die basis wordt geleverd door de leden van het democratische systeem.
Technische hulpmiddelen zullen, in zichzelf, geen verbetering of verslechtering van het vertrouwen in democratie opleveren. Voor een wantrouwende burger vormt e-democracy een extra pijler waarop wantrouwen te richten valt. Voor een vertrouwende burger vormt e-democracy een verbetering van de service.
Stemmachines vereisen een bepaald vertrouwen in de organiserende instanties. Als dat vertrouwen aanwezig is dan is een stemmachine een hulpmiddel in het proces. Elektronisch stemmen wordt pas een vloek in een wantrouwende samenleving. Gebrek aan vertrouwen in de overheid kan gebrek aan vertrouwen in de techniek achter het stemproces met zich meebrengen, wat schadelijk is voor het vertrouwen in het stemproces zelf. Gebrek aan vertrouwen in het stemproces is negatief voor het algemeen vertrouwen, en daarmee komt de vertrouwenskwestie in een negatieve spiraal terecht. Zoals gezegd zijn stemmachines in eerste plaats hulpmiddelen in het stemproces, zij bewerkstelligen niet zelf een beweging in vertrouwen, maar kunnen wel invloed hebben op die beweging als die eenmaal is ingezet.
In antwoord op de vraag kan worden gesteld dat e-democracy een vloek is voor democratieën die al worstelen met hun democratisch bestel en het vertrouwen van de burger daarin, en een zegen voor democratieën die daar geen problemen mee hebben. Actoren in het systeem kunnen met hun acties uiteindelijk een van deze richtingen inzetten.
Hypothese 1: Elektronische vormen van democratie vergroten de politieke participatie door hiervoor meer mogelijkheden te bieden en deze mogelijkheden toegankelijker te maken.
Elektronische vormen van democratie kunnen een hulpmiddel zijn om participatie te vergroten. In de thesis is als voorbeeld onder andere de audio-ondersteuning voor visueel gehandicapten naar voren gekomen. Een ander voorbeeld is internetstemmen voor Nederlanders in het buitenland, het verkleint de moeite die iemand moet nemen om een stem uit te brengen. Toch blijft het momenteel bij veel van die kleine verbeteringen, tot grote stappen om participatie te vergroten moet toch door de politieke samenleving worden besloten, daar kan techniek bij helpen maar niet meer dan dat.
Hypothese 2: Informatie en communicatie technologieën vernieuwen en versterken het democratische proces.
Democratische politiek is en blijft mensenwerk. Vernieuwing van het proces is een keuze van de politiek, versterking van de democratie is een gevolg van het handelen van politici. Informatie en communicatietechnologie kunnen zeer handige hulpmiddelen vormen in het vergroten van de ‘klantvriendelijkheid’ van de democratische politiek. Service aan de burger in het algemeen en in het kiesproces aan de kiezende burger in het bijzonder, kan worden vergroot middels ICT. Verder mogen er geen wonderen van ICT worden verwacht.
Hypothese 3: Informatie en communicatie technologieën maken meer ‘directe’ democratie mogelijk.
Informatie en communicatie technologie maakt op democratisch gebied niet iets mogelijk wat zonder die techniek onmogelijk zou wezen, hooguit makkelijker. Meer directe democratie is een keuze van de politiek over het inrichten van het kiesbestel, dat middels ICT deze weg min of meer automatisch wordt ingeslagen komt niet uit de onderzoeksbronnen naar voren.
Hypothese 4: Elektronische vormen van democratie verkleinen de transparantie en controleerbaarheid van het stemproces waardoor burgers in een wantrouwende samenleving niet meer op een goede afhandeling zullen vertrouwen.
E-democracy maakt gebruik van technologie die niet voor iedereen volledig is te doorzien. Hypothetisch is het bij het gebruik van potlood en papier bij verkiezingen mogelijk om alle stappen van het verkiezingsproces te reproduceren. Bij stemmen middels stemmachines kan enkel met dezelfde set aan gegevens worden gewerkt tenzij er een nieuwe stemming wordt uitgevoerd. Wel kan van elektronisch stemmen de functionaliteit worden getest om vast te stellen of de apparatuur werkt zoals verwacht. Maar je kunt het feitelijk tellen van stemmen niet ‘zien’ bij elektronisch stemmen en daarom moet men vertrouwen dat de stem goed wordt geteld. In een samenleving waarin een gebrek aan vertrouwen heerst, moet dat gebrek worden opgevangen door controleerbaarheid en transparantie. De black box werking van elektronisch stemmen kan echter als onvoldoende controleerbaar worden ervaren. In een samenleving waarin men wel vertrouwt in dat de organiserende instituties het stemproces goed afhandelen, kan men vertrouwen op de controle van het proces en het testen van de techniek.
Hypothese 5: Traditionele gatekeepers verliezen terrein aan nieuwe gatekeepers die de oorspronkelijke rollen met behulp van informatie en communicatie technologie transformeren.
Traditionele gatekeepers blijken bijzonder weerbarstig. Zoals besproken hebben gatekeepers, zoals politieke partijen, de weg naar internet inmiddels gevonden. Andere actoren blijken daar echter eerder sterk in te zijn en gebruiken internet effectief voor hun doelen. Traditionele gatekeepers liepen achter de feiten aan en de uitvoerende macht reageerde dan direct onder druk van de eisen van andere actoren. Traditionele gatekeepers lijken hun achterstand echter in te halen en hun positie als verdeelpunt in de inputstroom weer ingenomen.
Hypothese 6: Het toenemende belang van informatie en communicatie technologie leidt tot een segregatie tussen de informatierijken en informatiearmen (een digital-divide).
Een onderzoek naar stemmachines geeft weinig informatie over de toegang tot informatie. Wel is een kloof gevonden in de kennis en het gebruiksgemak van ICT. Deze kloof doet zich vooral voor bij ouderen, die hebben meer moeite met het gebruik van nieuwe technologie. In hun privé situatie zullen veel van hen moderne techniek waarschijnlijk buiten de deur houden, maar bij een stemproces met stemmachines kunnen ze er niet omheen. De andere leeftijdsgroepen hebben weinig tot geen problemen met de techniek. Ook is er een expertisekloof tussen de actoren achter het stemproces (de overheid) en de actoren achter de stemtechniek (fabrikanten en keuringsinstellingen). De overheid lijkt onvoldoende informatie en expertise in huis te hebben om niet afhankelijk te zijn van derden.
Zoals niet tot ‘harde waarheden’ leidt dit onderzoek ook niet tot harde aanbevelingen, wel zijn er een aantal overwegingen die voor het verder verloop van de Nederlandse situatie rondom stemmachines het noemen waard zijn.
§ 5.3 Slot: ICT in de representatieve democratie
In § 2.1 is een politiek systeem beschreven aan de hand van het model van Easton. Dat beschreven systeem vormt een zienswijze op het functioneren van de representatieve democratie. Centraal daarin staan eisen door leden van het systeem, antwoorden daarop van de autoriteiten en steun van de leden aan het systeem. Een ander centraal begrip zijn storingen in het systeem, die stress tot gevolg kunnen hebben. De autoriteiten van een politiek systeem hebben steun van de leden van het systeem nodig en zullen proberen dat te genereren. Steun is te genereren door middel van output, bijvoorbeeld in de vorm van het vervullen van eisen. Daarnaast is er een soort van basale steun, Easton noemt dat diffuse steun. Dergelijke steun is moeilijker te genereren omdat het niet direct gevolg is van een actie van de autoriteiten, het is een soort algemene legitimering van die autoriteiten en van het politieke systeem zelf. In een representatieve democratie ontlenen autoriteiten die legitimiteit aan eerlijke, democratische verkiezingen waarmee burgers via volksvertegenwoordigers een kanaal krijgen om hun wensen en eisen te uiten. Deze volksvertegenwoordigers zijn gatekeepers omdat zij deze eisenstroom reguleren. Vanwege de belangrijke rol van verkiezingen is het van essentieel belang dat die goed verlopen en dat burgers erop vertrouwen dat de uitkomst eerlijk is. De huidige trend van dalend vertrouwen van de burger in de politiek heeft ook gevolgen voor dit democratische proces. Als burgers de autoriteiten die verkiezingen organiseren niet meer vertrouwen, dan heeft dit effect op het vertrouwen in die verkiezingen. Als men niet meer vertrouwt op een goed verloop van die verkiezingen, dan moet een andere bron van legitimering van de uitkomst worden aangesproken, namelijk controle en transparantie. Bij de huidige toepassingen van elektronische democratie ontbreekt het echter juist daaraan. Door de ondoorzichtigheid van de technieken en het proces dat met deze techniek wordt uitgevoerd, kunnen wantrouwende burgers het verkiezingsproces niet controleren en is men weer aangewezen op vertrouwen in de organiserende instanties, waar het dus aan ontbreekt.
Onduidelijkheid en afname van vertrouwen in het elektronisch stemproces kunnen worden beperkt door specifieke output van de autoriteiten. Het wantrouwen in de techniek mag echter niet te hoog worden opgespeeld, anders kan dat tot beschadiging van het meest essentiële democratische proces leiden. Een dergelijke beschadiging is niet makkelijk te herstellen met specifieke output omdat er een stuk van het basale vertrouwen in de legitimiteit van het democratische systeem beschadigd is. Wantrouwen in de techniek van het stemmen zorgt voor wantrouwen in het stemproces, terwijl dat proces nu juist de noodzakelijke steun aan het systeem moet verschaffen. Het is dan ook belangrijk dat gatekeepers, zoals politieke partijen en volksvertegenwoordigers, dit wantrouwen kanaliseren en de maatschappelijke impact ervan beperkt houden. In het debat over de Nederlandse stemmachines is echter gebleken dat middels media zoals internet, de rol van deze traditionele gatekeepers verkleind kan worden. De campagne tegen stemmachines had niet zo’n brede aandacht kunnen krijgen zonder effectief gebruik van zowel traditionele als nieuwe media.
Het is om bovenstaand relaas dat het absoluut noodzakelijk is én blijft in een representatieve democratie om twijfel over het stemproces te voorkomen of, indien ontstaan, weg te nemen. Ook zullen traditionele gatekeepers hun gebruik van (nieuwe) media moeten optimaliseren om hun rol effectief te kunnen blijven vervullen. Internet, als voorbeeld van een nieuw medium, is een krachtig platform met een groot bereik. Waarschijnlijk zullen in de toekomst steeds meer eisen via internet worden geuit, gatekeepers moeten die eisen op datzelfde terrein oppakken om in die eisenstroom hun positie te behouden.
De vertrouwenskloof tussen burger en overheid zal waarschijnlijk niet op korte termijn worden opgelost. Dat houdt in dat burgers niet zullen vertrouwen op een overheid die zegt dat een stemproces eerlijk verloopt, men zal dat zelf willen controleren. Om vertrouwen in het stemproces te maximeren moet daarom worden gezocht naar mogelijkheden om dit proces controleerbaar en transparant te maken. Dat geldt niet alleen voor Nederland, maar voor alle landen waarin burgers willen ‘zien’ hoe hun stemmen geteld worden. In Nederland wordt de ‘achterkamertjespolitiek’ vaak gehekeld als uiting van de kloof tussen burger en overheid, omdat het politieke proces in die achterkamertjes ondoorzichtig is voor de burger, noem het een black box. Datzelfde geldt voor elektronisch stemmen, voor vertrouwen in de uitkomst is doorzichtigheid van het proces noodzakelijk op het moment dat het vertrouwen in de instanties onvoldoende is om de uitkomst blind te vertrouwen. Hoewel men op allerlei terreinen van het dagelijks leven vertrouwt op keuringsinstellingen en waarborgen, is bij het politieke proces een stapje meer nodig; keer op keer moet de overheid aan de burger bewijzen dat vertrouwen in het proces en de uitkomst gerechtvaardigd is.
Dit onderzoek richt zich op het debat rond stemmachines in Nederland. Aangezien deze scriptie is geschreven op het gebied van de vergelijkende politicologie zou men zich kunnen afvragen hoe het onderzoek naar een enkele casus überhaupt als vergelijkend kan worden beschouwd. In zijn boek over wetenschappelijk onderzoek in de vergelijkende politicologie zegt Landman daar het volgende over:
“a single-country study is considered comparative if it uses concepts applicable to other countries, develops concepts applicable to other countries, and/or seeks to make larger inferences. […] such studies are useful for examining a whole range of comparative issues” (Landman,2003:34).
Om binnen deze omschrijving van vergelijkend politicologisch onderzoek te vallen moet worden aangetoond dat in deze scriptie een onderwerp wordt behandeld dat breder interessant is dan enkel voor het land van onderzoek. Dat is hierbij het geval, het gaat in deze thesis over het stemproces in een democratie en de invloed van technologische vernieuwing daarop. Aangezien het stemproces een wezenlijk onderdeel is van de representatieve democratie die de westerse landen kenmerkt is speelt deze vraag in (vrijwel) alle westerse democratieën. Het concept van stemmachines en andere elektronische toepassingen in de democratie betreft niet enkel Nederland, maar komt voort vanuit een algemene ontwikkeling in representatieve democratieën.
Politieke wetenschap richt zich op een aantal aspecten die ook van belang zijn in de natuurwetenschappen, namelijk het beschrijven, classificeren, testen van hypothesen en het voorspellen. Het gaat dan vooral om het verzamelen van ‘bewijs’ en daar gevolgtrekkingen aan verbinden. Landman noemt dit, in navolging tot Almond (1996), de “evidence-inference methodological core” (ibid.:12). Naast het testen van de hypothesen wordt ook teruggekoppeld naar de bredere discussie. Voorspellen is ook een logisch vervolg op het testen van hypothesen en het verklaren van een bepaald verschijnsel (ibid.:6-10). Het belangrijkste doel van deze scriptie is echter niet het voorspellen, maar het beschrijven van de relatie tussen het vertrouwen van burger in overheid en elektronische vormen van democratie. De theoretische tegenstelling die centraal staat in het probleem levert een aantal hypothesen op, waarover een uitspraak kan worden gedaan vanuit die beschrijving.
De belangrijkste bron van informatie voor deze thesis zal worden gevormd door documenten, pamfletten, webpages en beleidsstukken. Voor deze vorm van informatiebronnen is inhoudsanalyse de meest geschikte waarnemingsmethode, de inhoud van de stukken is immers de bron van informatie voor het onderzoek. Binnen deze waarnemingsmethode is nog onderscheid te maken tussen een kwantitatieve en een kwalitatieve inhoudsanalyse. Bij een kwantitatieve inhoudsanalyse worden waarnemingen systematisch geclassificeerd en gecodeerd om op die manier op kwantitatieve wijze om te gaan met gegevens die zijn vastgelegd in de bronnen. Een kwantitatieve inhoudsanalyse maakt het mogelijk om steekproeftechnieken, metingen en uitspraken te doen op de manier waarop dat gebeurt bij survey onderzoeken. Deze methode is bij uitstek geschikt om op basis van een steekproef uitspraken te doen over een populatie die niet in zijn geheel onderzocht kan worden. In het onderzoek dat in deze scriptie wordt gedaan moeten echter juist zo compleet mogelijk de gebeurtenissen worden weergeven en op basis van die uitgebreide set wordt een antwoord op de centrale vraag geformuleerd. Hiervoor is een kwalitatieve inhoudsanalyse meer geschikt. Sterker nog, dit onderzoek werkt met louter kwalitatieve gegevens en het kwantificeren daarvan kan belangrijke informatie verloren doen gaan. Een kwalitatieve analyse heeft een meer open opzet waarbij de gegevensverzameling een doorlopend proces is, waarin ook iteratief teruggekoppeld kan worden naar eerder gevonden gegevens. In een kwalitatieve analyse worden observatie, analyse en reflectie afgewisseld.
Een inhoudsanalyse kan als volgt worden gedefinieerd: “Content analysis is a research technique for making replicable and valid inferences from texts (or other meaningful matter) to the context of their use” (Krippendorff,2004:18).
De meer specifieke kenmerken van een kwalitatieve studie zijn: -er is vooraf geen uitgebreid analytisch kader beschikbaar, -er is een open onderzoeksopzet, gegevensverzameling is een doorlopend proces, -observatie, analyse en reflectie wisselen elkaar af en -de gegevens zijn vaak ongestructureerd en omvangrijk. Dit alles betekent echter niet dat een kwalitatieve inhoudsanalyse “is nothing more than what everyone does when reading a newspaper, except on a larger scale” (ibid.:xxi). Het wetenschappelijke karakter zit juist in het systematisch verzamelen en ordenen van gegevens. Lijphart bevestigt dat de controlemogelijkheid zit in gedegen, uitvoerig werk. Door dit systematische werk expliciet te maken, proberen onderzoekers die met inhoudsanalyse werken, resultaten te behalen die anderen kunnen reproduceren om daarmee de resultaten een zo groot mogelijke zeggingskracht te geven (ibid.). Daarom is een methodologische verantwoording misschien nog wel belangrijker dan bij andere vormen van wetenschappelijk onderzoek.
In dit onderzoek zijn veel acties van relevante actoren reacties op de acties van andere actoren. Veel van de gevonden beleidsstukken of andere documenten zijn, direct of indirect, een reactie op een eerder stuk. Door het debat chronologisch te volgen ontstaat er een systematische vorm van dataverzameling. Op basis van de systematische beschrijving van deze ontwikkelingen is een analyse mogelijk. Deze systematische beschrijving kan natuurlijk niet voor een onbepaalde tijd doorgaan, daarom is er afgebakend welke actoren onderzocht worden. De actoren die de onderzoekseenheden vormen in deze thesis zijn in hoofdstuk drie benoemd (§ 3.2). De gehanteerde methodologie is interpretatief, dit houdt in dat vanuit het perspectief van de geselecteerde actoren een reconstructie wordt gemaakt van de gebeurtenissen en daarop wordt de analyse gebaseerd. Een belangrijk deel van de systematiek wordt ontleend aan de chronologische beschrijving van de gebeurtenissen.
De selectie van bronnenmateriaal is gebaseerd op de actoren waarvan dit materiaal afkomstig is. Het materiaal groeit in omvang omdat een geanalyseerd stuk nieuwe mogelijke bronnen naar voren brengt. Om deze stukken te verwerken moeten deze worden gelezen en geïnterpreteerd. Vanuit die interpretatie wordt er gereflecteerd op de gehele materialenset. Over de verwerking van de documenten later meer.
De waarnemingseenheden in dit onderzoek zijn de documenten, beleidsstukken en teksten van de gouvernementele en niet-gouvernementele actoren die in § 3.2 zijn benoemd. De eigenschappen van deze waarnemingseenheden zijn: het onderwerp van het betreffende stuk informatie en de algemene houding die van de bron uitgaat over het de relatie tussen e-democracy en het vertrouwen in de politieke samenleving. Tevens volgt een stuk analyse in de vorm van een uitspraak of deze bron de adoptie van e-democracy als bevorderend ziet voor het oplossen van de vertrouwenskloof of niet. Schematisch weergegeven wordt van iedere waarnemingseenheid het volgende vastgelegd:
| Document | Volgnummer | Actor | Onderwerp | Houding | Bevorderend |
|---|---|---|---|---|---|
| Nummering | Reactie op (nr.) | Onderzoekseenheid (nr.) | Onderwerp | Algemene houding | Ja / nee |
De tabel met deze gegevens van de waarnemingseenheden en daarmee met een overzicht van de gebruikte onderzoeksgegevens, is weergegeven in appendix B. Uit § 3.2 kan de volgende gegevenstabel met onderzoekseenheden worden afgeleid:
| Nummer | Onderzoekseenheid | Opmerkingen |
| 1 | Nederlandse autoriteiten; uitvoerende macht | Regering, ministeries, gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Tilburg) |
| 2 | Nederlandse Parlement; wetgevende macht | Tweede Kamer der Staten Generaal |
| 3 | Nederlandse politieke partijen | CDA, PvdA, VVD, SP, LPF, GroenLinks, D66, ChristenUnie, SGP |
| 4 | Nederlandse kiesraad | |
| 5 | Actiegroepen | Wijvertrouwenstemcomputersniet.nl, bezorgde burgers |
| 6 | Ontwikkelaar en fabrikant e-voting toepassingen | Nedap/Groenendaal, Sdu |
Het theoretisch kader en de beschrijving van de achtergrond van de casus zorgen ervoor dat je als onderzoeker niet ‘blanco’ begint aan het onderzoek. In de aanloop naar de analyse vindt een theoretische oriëntatie plaats. De analysemethode is feitelijk die van reconstructie van het debat over stemmachines. Het perspectief van waaruit wordt gekeken naar deze reconstructie is dat van de theoretische basis die is gelegd in hoofdstuk twee. Uiteindelijk wordt vanuit de bevindingen teruggekoppeld naar een hoger niveau en het draagt daarmee bij aan de theorieontwikkeling en het theoretische debat.
De theorieën voorzien in een aantal concepten die een rol spelen in de relatie tussen vertrouwen en edemocracy. Deze concepten zijn vastgelegd in de hypothesen en de centrale vraag. In de reconstructie van het debat wordt gekeken naar de houding van de bronnen over de centrale vraag en naar wat de bronnen zeggen over ieder van de hypothesen.
Iedere opvolgende bron in de reconstructie van het debat wordt bekeken vanuit de reeds gevonden informatie. Een bron wordt dus niet vanuit enkel de theoretische hoek bekeken, maar ook vanuit de concepten uit het debat tot dan toe. Doordat de gegevensverzameling op een dialectische vorm is gebaseerd, verrijkt dit de analyse. Bij het verwerken van de bronnen wordt steeds een informatiedocument bijgehouden om op die manier gevonden informatie niet te laten verkleuren door daarna gelezen bronnen, wat het risico zou zijn van verslaglegging achteraf.
De analyse van het materiaal zelf gaat samen met het interpreteren van dit materiaal. Per bron wordt vastgelegd wat die bron zegt over de relatie tussen vertrouwen in de politieke samenleving en de rol van e-democracy. Deze houding is onderverdeeld in vijf categorieën (zeer positief, positief, neutraal, negatief en zeer negatief). De houding die in de bron naar voren komt wordt in die categorieën ingedeeld, het is mogelijk dat een bron zowel negatieve als positieve punten geeft. Ook wordt vastgelegd wat de bronnen zeggen over de hypothesen. Deze informatie wordt per bron vastgelegd in een document zodat uiteindelijk een helder overzicht ontstaat van de relevante inhoud van alle bronnen. Deze informatie wordt vervolgens gebruikt in de analyse om uiteindelijk een antwoord en conclusies te kunnen formuleren. Op basis van de theoretische concepten, de beschrijving in hoofdstuk 3 en de beschrijving en analyse in hoofdstuk 4, worden de conclusies getrokken in hoofdstuk 5. De conclusies zullen niet alleen over de casus worden getrokken, maar ook worden gegeneraliseerd. Deze generalisatie is mogelijk doordat deze geschiedt op basis van de bredere theorieën uit hoofdstuk twee, er is dus sprake van theoretische generalisatie.
Kenmerkend voor dit type onderzoek is de constante afwisseling van lezen, interpreteren, analyseren en reflecteren. Het onderzoek krijgt zeggingskracht door het gedetailleerd en grondig werken en nauwkeurige verslaglegging.
De informatiesheet die per bron wordt vastgelegd ziet er als volgt uit: Opgaaf van gebruikte onderzoeksgegevens in chronologische volgorde. Numerieke verwijzigen naar actoren verwijzen naar actorentabel in appendix A.
| Volgnummer: | Volgnummer van de bron in chronologie, eventueel met origineel referentienr. | |
| Omschrijving: | Korte omschrijving van de inhoud van de bron | |
| Houding: | ||
| + + | Wat zegt deze bron over een zeer positieve relatie vertrouwen -e-democracy | |
| + | Wat zegt deze bron over een positieve relatie vertrouwen -e-democracy | |
| + – | Wat zegt deze bron over een neutrale relatie vertrouwen -e-democracy | |
| – | Wat zegt deze bron over een negatieve relatie vertrouwen -e-democracy | |
| – – | Wat zegt deze bron over een zeer negatieve relatie vertrouwen -e-democracy | |
| Hypothese: | ||
| 1 | Wat zegt deze bron over hypothese 1 | |
| 2 | Wat zegt deze bron over hypothese 2 | |
| 3 | Wat zegt deze bron over hypothese 3 | |
| 4 | Wat zegt deze bron over hypothese 4 | |
| 5 | Wat zegt deze bron over hypothese 5 | |
| 6 | Wat zegt deze bron over hypothese 6 | |
| Opmerkingen: |
| Document | Volgnummer | Actor | Onderwerp | Houding | Bevorderend |
|---|---|---|---|---|---|
| Nummering | Reactie op (nr.) | Onderzoekseenheid (nr.) | Onderwerp | Algemene houding | Ja / nee |
| Docnr | Volgnr | Actornr | Onderwerp | Houd. | Bev. | Opmerkingen/ref. |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Initieel | 1/2 | Kieswet van 28/9/89 en Kiesbesluit van 19/10/89 | + – | nvt | - |
| 2 | Initieel | 4 | Rapport inzake de voor-en nadelen van elektronisch gefaseerd stemmen | + | nvt | September 1995 |
| 3 | - | 4 | Brievenwisseling uit 1995 waarin de anonimiteit van de kiezer bij het gebruik van stemmachines centraal staat | – | nvt | Binnen bij consumentenbond onder nr.: Rku/TZ-95S-03660. Kenmerk reactie Kiesraad: KR95/39 |
| 4 | 2 | 1 | Deel van een brief waarin de VNG onderschrijft dat elektronisch gefaseerd stemmen moet worden toegestaan | + – | nvt | VNG kenmerk: AJZ/602601 (8/5/96) |
| 5 | - | 1/2/4/6 | Briefwisseling MinBZK, Kiesraad en Nedap/Groenendaal over invloed van vervolgkollomen bij stemmachines op kiesgedrag | + – | nvt | Totaal van 14 brieven (in 1 document) uit zomer 1996 |
| 6 | - | 1/4 | Advies van Kiesraad over voorgestelde wijziging Kiesbesluit (doc.7) van 20/12/96 | + – | nvt | Kenmerk: KR96/113 |
| 7 | - | 1/4 | Advies van Kiesraad over modellen stemmachines, Kieswet en Kiesbesluit (1997) | nvt | nvt | Kenmerk: KR97/63. Meest interessant is gevolg afwegingen stembiljet voor stemmachines |
| 8 | 1 | 1/2 | Besluit tot wijziging van Kiesbesluit inzake stemmen d.m.v. stemmachines | + | nvt | Staatsblad 1997, 164 |
| 9 | Initieel | 1 | Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997 | + | nvt | 11/07/1997. Nr. CWI97/U1000 |
| 10 | - | 1/2 | Kamervragen over toegankelijkheid van stembureaus door Kamerlid Poppe. Bevat ook een vraag over stemmachines. | – | nvt | Tweede Kamer, 1997/1998: 1120 (6/3/98) Antwoord op 24/4/98). Antwoord refereert aan brief; doc.11 |
| 11 | (10) | 1/2 | Brief van staatssecretaris BZK over problemen met stemmachines | – | nvt | Tweede Kamer, 1997/1998: 24 244, nr.9 van 6/4/1998 |
| 12 | - | 2/1 | Kamervragen over mogelijke problemen met stemmachines bij | + – | nvt | Tweede Kamer, 1997/1998: 1642 van |
| meervoudige verkiezingen. | 14/7/98, antwoord van | |||||
| 10/8/98 | ||||||
| 13 | 1/8/9 | 1 | Nota ontwikkelingen in het kiesrecht (1999) | + | Ja | MinBZK, kernmerk: CW99/76361 |
| 14 | 1/8/9 | 1 | Stand van zaken automatisering | + | Ja / | Door HEC, i.o.v. |
| rond verkiezingsproces, | Nee | MinBZK. ook bijlage | ||||
| eindrapport | van doc.13 | |||||
| 15 | - | 4 | Brief aan Kiesraad met bezwaren | – | Nee | Kenmerk: KR98/123, |
| tegen stemmachines, van 13/6/99 | antwoorden: KR99/73296 en | |||||
| KR99/U87281 | ||||||
| 16 | - | 4/5 | Brief met klacht over | – | Nee | Kenmerk reactie: |
| mogelijkheden blanco te | KR02/U62657 | |||||
| stemmen van 7/3/02 | ||||||
| 17 | - | 1 | Fax van Iers ministerie aan MinBZK met de resultaten van het Zerflow onderzoek naar | – | Ja / Nee | Bijgevoegd is het rapport van Zerflow, van 27/3/02 |
| stemmachines van Nedap, 10/12/02 | ||||||
| 18 | - | 6 | Website van Nedap/Groenendaal | + + | nvt | http://www.election.nl/bi |
| over hun Integraal Stem Systeem | zx_html/ISS/index.html | |||||
| (ISS) | ||||||
| 19 | - | 4 | Advies van Kiesraad over | + | Ja | Kenmerk: KR03/59605 |
| goedkeuring van software | ||||||
| zetelverdeling, bevat reactie op | ||||||
| zorgen over pensioneren Groenendaal, 18/3/03 | ||||||
| 20 | 17 | 1/2 | Kamervragen over de betrouwbaarheid van | + | nvt | Tweede Kamer, 2003/2004, 1453 (incl. |
| stemmachines op 1/4/04 | antwoord op 29/4/04, | |||||
| eerder uitstel op 13/4/04:1326). | ||||||
| Kamervragen zijn reactie | ||||||
| op extern rapport (Zerflow, Ierland) | ||||||
| 21 | - | 3 | D66 Den Haag met vragen: | + – | nvt | http://www.d66denhaag. |
| stemcomputers gevaar voor | nl/article.php?sid=129 | |||||
| verkiezingen? 20/4/04 | ||||||
| 22 | - | 3 | Vragen SP Tilburg over de | + – | Nee | http://www.tilburg.sp.nl/ |
| mogelijkheid tot hertelling en controle bij stemmen, van | nieuws/2004/fractie/0404 26.stm | |||||
| 26/4/04 | ||||||
| 23 | - | 6 | Brief van Nedap aan MinBZK | + | nvt | Overzicht met stand van |
| over huidige status stemmachines | zaken en van gemeenten | |||||
| en toekomst (referenda, gekozen Burgemeester, etc.), van 19/12/04 | die Nedap gebruiken | |||||
| 24 | - | 4 | Brief Kiesraad aan ministerie | – | nvt | Kenmerk: 2005 |
| over gevolgen pensionering | 0000053327 | |||||
| Groenendaal, van 15/4/05 |
| 25 | - | 4/5 | Brief waarin anonieme schrijver een soort paper-trail voorstelt, van 12/5/05 | + – | Nee | Kenmerk reactie Kiesraad: 20050000118921 |
| 26 | - | 3 | Vragen Leefbaar Den Haag over tellen van stemmen bij verkiezingen Europees Parlement, van 7/6/05 | + – | nvt | Regnr.: BBZ/2005.46 |
| 27 | - | 1/2 | Kamervragen over hertellingen bij stemcomputers en antwoord van minister | + | Ja | Tweede Kamer, 2004/2005: 2267 (9/6/05) en antwoord (31/8/05) |
| 28 | - | 1/2 | Kamervragen over het gebruik van stemmachines in gevangenissen | nvt | nvt | Tweede Kamer, 2005/2006: 1013 (9/2/06) en antwoord (7/3/05) |
| 29 | - | 5 | Antwoord op vraag over hertelling met stemmachines, 3/3/06 | + | nvt | E-mail excl. originele vraag. Vb. van dat het in 2006 ook onder burgers is gaan spelen |
| 30 | - | 1/5 | Documenten met klachten over verkiezingen met stemPC's in Amsterdam (2006) | – – | Nee | 8 documenten, geeft aan dat burgers signalen oppikken over betrouwbaarheid stemcomputers |
| 31 | - | 1 | Evaluatie stadsdelen Amsterdam over gebruik NewVote stemcomputers, 5/5/06 | nvt | nvt | - |
| 32 | - | 5 | Website en opkomst van actiegroep tegen stemmachines | – – | Nee | http://www.wijvertrouwe nstemcomputersniet.nl |
| 33 | - | 5 | Wob-verzoek inzake stemmachines, 23/5/06 | nvt | nvt | Eerste reacties hierop waren uitstel wegens grote omvang |
| 34 | 33 | 1 | Besluit inzake het wob-verzoek (doc.33) | nvt | nvt | Kenmerk: 20060000217534 |
| 35 | - | 5 | Uitgebreid antwoord op burgervraag over betrouwbaarheid stemmachines, 27/5/06 | + | nvt | Kenmerk MinBZK: 2006-0000167320 |
| 36 | 32/33 | 1/5 | Reactie op wob-verzoek tot openbaring correspondentie die is ontstaan naar aanleiding actiegroep (doc.32) | nvt | nvt | Kenmerk MinBZK: 2006-0000270107 |
| 37 | 32 | 6 | Reactie van Groenendaal op opkomst actiegroep (doc.32) | + + | Ja | |
| 38 | - | 1/4 | Fraude bij verkiezing met stemmachines, en reactie van Kiesraad, 28/6/06 | + – | nvt | Kenmerk Kiesraad: 2006-0000245279, bijgevoegd: ANP berichtgeving |
| 39 | 32 | 3 | Vragen Groen Links Den Haag over betrouwbaarheid stemcomputers, 20/7/06 | – | Nee | http://www.groenlinks.nl /lokaal/denhaag/nieuws/ Nieuwsbericht.2006-0720.1613 |
| 40 | 38 | 3 | Vragen PvdA Amsterdam over stemcomputers, 21/7/06 | – | Nee | - |
| 41 | 32 | 1 | E-mail van MinBZK aan oprichter actiegroep | + – | nvt | Via website actiegroep. Verificatie authenticiteit: 41b (ook voor doc.42) |
| 42 | 41 | 5 | Reactie op e-mail (doc.41) | – – | Nee | Vertrouwen' is het hoge woord. Via website actiegroep |
| 43 | 32 | 3 | Vragen Leefbaar Utrecht of stemcomputers nog te vertrouwen zijn, 1/8/06 | – | nvt | Gem. Utrecht: Schriftelijke Vragen 2006: 86 |
| 44 | 43 | 1 | Antwoord op vragen (doc.43) | + | nvt | Gem. Utrecht: Antwoorden 2006:86 |
| 45 | - | 2 | Kamervragen over de risico's van elektronisch stemmen | – – | Nee | http://www.sp.nl/nieuws berichten/4041/060925sp _wil_betere_controle_va n_stemmachines.html |
| 46 | - | 5 | Nieuwsbief 4 (20/9/06) wijvertrouwenstemcomputersniet | – | Nee | - |
| 47 | - | 5 | Nieuwsbrief 5 (26/9/06) wijvertrouwenstemcomputersniet | – | Nee | - |
| 48 | - | 5 | Nedap/Groenendaal ES3B voting computer security analysis | – – | Nee | - |
| 49 | 48 | 5 | Persbericht van actiegroep over onbetrouwbaarheid stemmachines | – – | nvt | - |
| 50 | 48 | 5 | Advocaat van actiegroep in brief aan het ministerie | – – | Nee | Kenmerk: 412426 JP/ij |
| 51 | 48 | 2 | Kamervragen over de beveiliging van stemmachines, 6/10/06 | – | nvt | Tweede Kamer, 2006/2007: 2060701050 |
| 52 | - | 5 | Nieuwsbrief 6 (11/10/06) wijvertrouwenstemcomputersniet | – | Nee | - |
| 53 | - | 1/2 | Kamervragen van 27/9/06 over Amerikaans rapport over stemmachines en antwoord, 12/10/06 | + | nvt | Nog niet beschikbaar via overheid.nl, wel via minbzk.nl |
| 54 | 51 | 1/2 | Antwoorden op Kamervragen 2060701050 | + | Ja | Idem |
| 55 | 54 | 5 | Persbericht over de antwoorden op Kamervragen 2060701050 | – | nvt | - |
| 56 | - | 1/2 | Algemeen Overleg tussen Vaste Commissie BZK en minister over stemmachines (audio), 12/10/06 | + – | nvt | In actiegroep nieuwsbrief 7 |
| 57 | 56 | 5 | Persbericht van actiegroep dat een kort geding tegen de staat nog niet van de baan is | – | nvt | 12/10/2006 |
| 58 | - | 5 | Brief aan Burgemeester van Amsterdam met verzoek om een SDU stemmachine ter test aan te bieden | – | nvt | 18/10/2006 (opmerkelijk verzoek aangezien de Sdu machines geen eigendom worden van gemeenten) |
| 59 | - | 1 | Website over het stemmen middels stemmachines. Door MinBZK | + | nvt | Lanceerdatum onbekend |
| 60 | - | 5 | WOB verzoeken van actiegroep aan (a) minister van Bestuurlijke Vernieuwing en (b) de voorzitter van de Kiesraad, verzoek om informatie over de veiligheid van stemmachine | nvt | nvt | Beide documenten 24/10/06, kenmerken Wob-7 en Wob-8 |
| 61 | - | 5 | Nieuwsbrief 8 (25/10/06) wijvertrouwenstemcomputersniet | – | nvt | - |
| 62 | - | 1/2 | Brief van de minister van Bestuurlijke Vernieuwing aan de Tweede Kamer waarin het gebruik van Sdu stemmachines wordt geblokkeerd | – – | Nee | 30/10/2006 |
| 63 | - | 5 | Persbericht van actiegroep dat kort geding van de baan is | – | Nee | 1/11/06 |
| 64 | - | 1/2 | Brief van de minister van Bestuurlijke Vernieuwing aan de Tweede Kamer waarin één van de vier typen Nedap machines ook wordt geblokkeerd | + + | Nee | 3/11/2006: 20060000359075 |
De volgende stemmachines zijn in het verleden door de overheid goedgekeurd om te worden gebruikt in het verkiezingsproces in Nederland.
• Nedap N.V.
• ESN1_SSN1 met softwareversie 4.01 (Staatscourant,2006,43:11)
De goedkeuring houdt in dat de apparaten mogen worden gebruikt bij verkiezingen, gelet op de betreffende artikelen in de Kieswet (artikel J33) en de Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines van 1997 (artikelen, J14, J14b, eerste lid, onder a en J14b, tweede lid). Tevens is een verklaring van het aangewezen keuringsinstituut Brightsight (TNO) benodigd.
* Van de Sdu NewVote is in 2006 de goedkeuring ingetrokken door de minister.
Deze bronnen zijn gebruikt bij de beschrijving van de ontwikkelingen in Nederland, Ierland en de Verenigde Staten in hoofdstukken drie en vier (excl. § 4.3). De databronnen die zijn gebruikt voor de analyse van het debat in Nederland (§ 4.3) zijn opgenomen in appendix B.